Verzoeker diende op 4 juli 2018 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank beoordeelde of verzoeker te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank constateerde dat meerdere schulden niet te goeder trouw waren ontstaan. Zo was een schuld aan Stadsontwikkeling van €16.667,23 ontstaan door onderhoud aan een appartementsgebouw met een slapende VvE, waarbij verzoeker de betalingsregeling niet is nagekomen zonder pogingen tot heronderhandeling. Daarnaast was een schuld aan Gemeentebelastingen Rotterdam van €5.339,57 niet betwist, en bleken er schulden te zijn die duiden op overbesteding.
Ook een schuld aan het UWV van €3.415,11 wegens onterecht ontvangen WW-uitkering werd aan verzoeker verweten, omdat hij het UWV niet tijdig had geïnformeerd en het bedrag niet had gereserveerd voor terugbetaling. Verder waren er verkeersboetes bij het CJIB die eveneens niet te goeder trouw waren ontstaan.
Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van feiten die toelating tot de regeling rechtvaardigen, wees de rechtbank het verzoek af. Het vonnis werd uitgesproken op 23 augustus 2018 door rechter J.C.A.M. Los.