Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[handelsnaam 1], hierna: ‘ [gedaagde] ’,
1.Het verloop van de procedure
abusievelijk staat bovenaan de eerste pagina daarvan de datum van 19 april 2018 vermeld).
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil
primaireen bedrag van € 130.000,- en
subsidiaireen bedrag van € 114.871,59, zowel primair als subsidiair vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2012,
4.De beoordeling
(…) In de bankgarantie was vastgelegd dat [eiser] binnen twee maanden nadat de bankgarantie was gesteld een bodemprocedure in gang diende te zetten. [eiser] ontbeerde, naar eigen zeggen, de financiële middelen om een dergelijke procedure te kunnen bekostigen. Eén en ander, omdat hij de omzet op dit project was misgelopen en toch diverse kosten had moeten maken. Hierdoor is de bankgarantie vervallen. (…)”. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd én onderbouwd om dit beeld te ontkrachten.