ECLI:NL:RBROT:2019:10378
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanningen
Verzoeker diende op 10 oktober 2019 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €900.000. De rechtbank beoordeelde of verzoeker te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, en of hij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen en zich zou inspannen om baten te verwerven.
De rechtbank stelde vast dat de schulden grotendeels buiten de vijfjaarsperiode waren ontstaan, maar dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij deze schulden te goeder trouw onbetaald had gelaten. Verzoeker had samen met een compagnon een bedrijf opgericht dat in 2009 failliet ging met forse schulden. Daarnaast was er een schuld aan de ex-echtgenote en achterstallige kinderalimentatie. Correspondentie van de ex-echtgenote toonde aan dat verzoeker samenwoonde en meer verdiende dan hij verklaarde, en nalatig was in alimentatiebetalingen.
Verzoeker erkende vakanties en een affectieve relatie met een partner, maar kon niet aannemelijk maken dat hij sinds 2009 serieuze inspanningen had verricht om een fulltime baan te vinden. Hij had nauwelijks afgelost op schulden en leverde geen sollicitatiebewijzen. De rechtbank concludeerde dat verzoeker onvoldoende saneringsgezind was en zijn afloscapaciteit bewust beperkte.
Hoewel verzoeker vanaf 1 januari 2020 fulltime zou gaan werken, achtte de rechtbank dit onvoldoende en onvoldoende bestendig om toelating tot de regeling te rechtvaardigen. De rechtbank wees het verzoek af, maar gaf aan dat bij stabilisatie en betere inzet een volgend verzoek meer kans kan maken.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanningen van verzoeker.