Verzoeker, samen met zijn partner eigenaar van een woning met aanzienlijke overwaarde, heeft een verzoek ingediend tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen twee schuldeisers die niet instemden met het aangeboden schuldregeling.
Het aanbod voorzag in een betaling van circa 37% aan preferente en 19% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker uit zijn fulltime dienstbetrekking. Vijftien schuldeisers stemden in, maar Interbank en het Bedrijfspensioenfonds, met een gezamenlijk belang van 16,5% van de schuldenlast, stemden niet in vanwege het niet gelde maken van de overwaarde van de woning en onduidelijkheden over de schuldenlast.
De rechtbank oordeelt dat het voorstel niet betrouwbaar en transparant is omdat niet alle vermogensbestanddelen zijn meegenomen, de woningoverwaarde niet is betrokken in het aanbod, en de Vtlb-berekening onvolledig is. Bovendien zijn de kosten van schuldhulpverlening hoger dan die van een wettelijk schuldsaneringstraject, terwijl de waarborgen in dat traject beter zijn.
Daarom is niet aannemelijk dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat is. Het verzoek om dwangakkoord wordt afgewezen. Verzoeker handhaaft het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering, waarop bij afzonderlijk vonnis wordt beslist.