ECLI:NL:RBROT:2019:10704

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 augustus 2019
Publicatiedatum
17 februari 2020
Zaaknummer
C/10/579812 / FA RK 19-6886 (beroep)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WthArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling huisverbod op grond van de Wet tijdelijk huisverbod wegens vermoedelijk huiselijk geweld

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het huisverbod dat op 8 augustus 2019 door de burgemeester van Rotterdam is opgelegd wegens een vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van medebewoners in de woning.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het huisverbod terecht is opgelegd, omdat verzoeker als agressor wordt aangemerkt en vaststaat dat hij de achterblijfster heeft geslagen. Verzoeker ontkent dit niet. Er is geen bewijs dat verzoeker vanwege psychiatrische klachten op het gebruik van de woning is aangewezen. De achterblijvers hebben rust nodig om te herstellen van het incident.

De burgemeester heeft rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden van verzoeker via het Risico-taxaties instrument Huiselijk Geweld. Er is geen sprake van schending van zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Omdat er nog geen hulpverlening of veiligheidsafspraken zijn getroffen, is het gevaar niet verdwenen. Daarom is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Reg.nrs.: C/10/579814 / KG ZA 19-831 (voorlopige voorziening)
C/10/579812 / FA RK 19-6886 (beroep)
Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
13 augustus 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen
[verzoeker], verzoeker,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
gemachtigde mr. S.C. van Paridon.
en
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde mr. R.J.M. Codrington,
in welke zaak belanghebbenden zijn:
[naam echtgenote verzoeker], echtgenote van verzoeker, hierna te noemen achterblijfster,
en
[naam zoon], de zoon van achterblijfster, hierna te noemen [voornaam zoon] ,
hierna gezamenlijk te noemen achterblijvers,
beiden wonende te [woonplaats] , [adres] .
Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 8 augustus 2019 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.
Bij brief van 8 augustus 2019 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019.
Aanwezig waren:
 mr. J.J.E. Stout, die heeft waargenomen voor mr. Van Paridon;
 verweerder, vertegenwoordigd door haar gemachtigde voornoemd;
 achterblijvers, bijgestaan door mr. A.P. van Elswijk.
Verzoeker is niet ter zitting verschenen.
Beslissing
 verklaart het beroep ongegrond,
 wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af.
Overwegingen

1.Weergave bestreden besluit, verzoek en beroep

1.1.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijvers (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.
1.2.
Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van het bestreden besluit en verweerder te veroordelen in de proceskosten. Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

2.Kortsluiten met afwijzen verzoek voorlopige voorziening

2.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2.
Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.Spoedeisend belang

3.1.
Verzoeker heeft door het opgelegde huisverbod dat nog steeds voortduurt geen toegang tot zijn woning. Het spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorziening is daarmee gegeven.

4.Beoordeling gronden

4.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.
4.2.
Niet in geschil is dat sprake is van een vermoeden van ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wth. Gelet hierop was verweerder bevoegd tot het opleggen van het huisverbod.
4.3.
De vraag die voorligt is of verweerder het huisverbod in redelijkheid heeft kunnen opleggen aan verzoeker. Verzoeker stelt op dit punt dat verweerder in de belangenafweging geen rekening heeft gehouden met zijn psychiatrische klachten en/of zijn persoonlijkheidsstoornis. Gelet op deze persoonlijke omstandigheden van verzoeker had het huisverbod volgens hem niet aan hem maar aan achterblijvers moeten worden opgelegd.
4.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verzoeker als agressor te worden aangemerkt omdat vaststaat dat hij achterblijfster heeft geslagen. Dit laatste wordt door verzoeker ook niet ontkend. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker door zijn psychiatrische klachten aangewezen is op het gebruik van de woning. Wel staat vast dat achterblijvers rust nodig hadden om te bekomen van het incident. [voornaam zoon] heeft ter zitting aangevoerd dat hij nog steeds angst heeft om verzoeker tegen te komen bij de woning, waaruit voor de voorzieningenrechter de impact van het incident op hem blijkt. Dit alles maakt dat verweerder het huisverbod in redelijkheid aan verzoeker heeft kunnen opleggen, temeer ook nu [voornaam zoon] een baan heeft waarvoor huisvesting noodzakelijk is en verzoeker niet.
4.5.
Verzoeker voert voorts aan dat sprake is van schending van onder andere het zorgvuldigheids- en/of motiveringsbeginsel.
4.6.
Verweerder heeft, blijkens de Risico-taxaties instrument Huiselijk Geweld (RiHG), welke taxaties onderdeel uitmaken van het bestreden besluit, zich rekenschap gegeven van de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Dat sprake is geweest van schending van het zorgvuldigheids- en/of motiveringsbeginsel dan wel van enig ander beginsel is dus niet gebleken. Dit betoog van verzoeker faalt eveneens.
4.7.
Voorts zijn ter zitting geen feiten of omstandigheden gebleken die aanleiding geven het huisverbod op te heffen. Zo is er nog geen aanvang gemaakt met de hulpverlening en zijn er geen veiligheidsafspraken gemaakt. Daarom kan niet worden gezegd dat het gevaar inmiddels is geweken en dat om die reden het huisverbod opgeheven zou moeten worden.
4.8.
Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4.9.
Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Aldus gedaan door mr. B. Oonincx, voorzieningenrechter, en door deze en
mr. E. van Alebeek-Baars griffier, ondertekend.
De griffier: De voorzieningenrechter:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op: