Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.
Rechtbank Rotterdam
De verdachte werd verdacht van het meermalen overmaken van geld aan een persoon die op de sanctielijst stond, wat volgens de Sanctieregeling terrorisme 2007-II verboden is. De rechtbank hield rekening met het feit dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid de betalingen had verwerkt en dat de persoon na zeven maanden van de sanctielijst was verwijderd.
De verdediging voerde aan dat de vervolging onverenigbaar was met de beginselen van een goede procesorde, waaronder proportionaliteit en het vertrouwensbeginsel, mede gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en eerdere veroordelingen. De officier van justitie stelde dat de verdachte strafbaar handelde en dat er geen reden was om het opportuniteitsbeginsel anders toe te passen.
De rechtbank oordeelde dat op het moment van de overmakingen het inzicht over het ontvangen van geld door gedetineerden op de sanctielijst anders was dan ten tijde van de dagvaarding. Ook was er een ontwikkeling gaande om gedetineerden beperkte financiële middelen toe te staan. Gezien deze omstandigheden en het feit dat het ministerie de betalingen had verwerkt, concludeerde de rechtbank dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie de vervolging had kunnen instellen.
Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Dit betekent dat de strafzaak tegen de verdachte niet inhoudelijk is behandeld en de vervolging is beëindigd zonder inhoudelijke uitspraak over schuld of onschuld.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens terrorismefinanciering.