ECLI:NL:RBROT:2019:10857
Rechtbank Rotterdam
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing beroep inzake studiefinanciering en aanvraagprocedure
Opposant diende op 2 mei 2018 een aanvraag studiefinanciering in. Verweerder kende een collegegeldkrediet toe over 2018 en 2019, maar stelde dat voor aanvullende beurs, lening of reisvoorziening nog geen beslissing was genomen. Opposant leverde bewijsstukken aan, maar verweerder weigerde een besluit te nemen over studiefinanciering 2019 en wees een dwangsombesluit af. Opposant stelde beroep in tegen deze weigering. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en nam het niet in behandeling omdat geen aanvraag voor 2019 zou zijn ingediend.
In het verzet stelde opposant dat de aanvraag van 2 mei 2018 betrekking had op de gehele studieperiode en dat het besluit van 18 oktober 2018 over 2019 wel degelijk een aanvraag betrof. De verzetrechter oordeelde dat niet zonder meer kon worden aangenomen dat geen aanvraag voor 2019 was gedaan en dat nader onderzoek nodig was. Daarom werd het verzet gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten in verzet. Tevens werd overwogen dat het bezwaar tegen het dwangsombesluit niet bevoegd was, maar dat dit geen nadeel voor opposant opleverde. Het verzoek tot betaling van een dwangsom werd afgewezen omdat geen dwangsommen waren verbeurd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 27 november 2019.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd, waarna het onderzoek wordt voortgezet.