Eiseres en gedaagde hadden een affectieve relatie die in februari 2018 eindigde. Tijdens de relatie verkregen zij gezamenlijk een woning met een hypotheek van €270.000. Na het beëindigen van de relatie verliet eiseres de woning en betaalde gedaagde de hypotheeklasten. Eiseres vorderde in kort geding dat de woning verkocht zou worden en dat gedaagde zou meewerken aan de verkoop, met dwangsommen bij weigering.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang onvoldoende was aangetoond. Gedaagde toonde aan dat hij een betalingsregeling met de bank had getroffen en de achterstanden aflost, waardoor executiemaatregelen niet direct dreigen. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de betalingsachterstanden pas na het vertrek van eiseres waren ontstaan; gedaagde stelde dat deze al sinds 2013 bestonden.
De belangenafweging wees uit dat het in het belang van beide partijen is dat eerst zoveel mogelijk wordt afgelost voordat de woning wordt verkocht of overgenomen. Daarnaast had eiseres nagenoeg alle huisraad meegenomen, en waren er nog geen afspraken gemaakt over de verdeling van de gemeenschap.
Ten slotte werd eiseres veroordeeld in de proceskosten, begroot op €2.797,00, omdat zij zonder voldoende grondslag had gesteld dat gedaagde niet betaalde en executiemaatregelen dreigden. Het vonnis werd uitgesproken op 3 juni 2019 door de voorzieningenrechter.