ECLI:NL:RBROT:2019:10909

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2019
Publicatiedatum
18 mei 2021
Zaaknummer
C/10/583182 / JE RK 19-3037
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:336a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp en belanghebbendheid pleegouders bij verblijf wijziging

De zaak betreft een machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die sinds september 2019 verblijft in een gesloten instelling. De pleegouders, die gedurende acht jaar zorg droegen voor de minderjarige, stelden zich op als belanghebbenden en verzetten zich tegen het besluit van de gecertificeerde instelling (GI) om hen niet langer als zodanig te erkennen.

De kinderrechter stelt vast dat de GI ingevolge artikel 1:336a BW de pleegouders om uitdrukkelijke toestemming moet vragen voor een definitieve wijziging van het verblijf van de minderjarige. De brief van de GI waarin de pleegouders werden geïnformeerd over het beëindigen van het pleegzorgverblijf volstaat niet als toestemming. De GI heeft nagelaten de kinderrechter om vervangende toestemming te vragen bij weigering van de pleegouders.

De minderjarige ervaart omgang met de pleegouders als belastend en staat voorlopig niet open voor contactherstel. De GI erkent een procedurefout door de pleegouders niet om toestemming te vragen voor plaatsing in de gesloten instelling. De kinderrechter acht zich onvoldoende geïnformeerd om te beslissen over de verzoeken van de pleegouders en houdt de behandeling aan tot een zitting in april 2020, waarbij nadere rapportage van de GI wordt verlangd over contactherstelmogelijkheden.

Uitkomst: De behandeling van het verzoek van de pleegouders wordt aangehouden tot nader rapportage over contactherstel.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens : C/10/583182 / JE RK 19-3037
datum uitspraak: 23 december 2019

beschikking

in de zaak van

familie [naam pleegvader] en [naam pleegmoeder] ,

hierna te noemen de pleegouders, wonende te [woonplaats] ,
betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2004 te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 oktober 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 2 december 2019, ingekomen bij de griffie op 3 december 2019
- de brief van de pleegouders van 8 december 2019, ingekomen bij de griffie op
10 december 2019.
Op 23 december 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:
  • de advocaat van [voornaam minderjarige] , mr. G.H. Amstelveen,
  • de pleegouders,
  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, [naam vertegenwoordigster 1] en [naam vertegenwoordigster 2] .

De feiten

Bij beschikking van 7 november 2011 is Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, de rechtsvoorgangster van de GI, belast met de voogdij over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] verblijft sinds 6 september 2019 in de gesloten jeugdhulpinstelling Midgaard (Horizon).
Bij beschikking van 1 oktober 2019 is een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [voornaam minderjarige] verleend met ingang van 1 oktober 2019 tot 1 januari 2020. Bij deze beschikking is het verzoek van de pleegouders aangehouden.
Bij beschikking van heden is een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [voornaam minderjarige] verleend met ingang van 1 januari 2020 tot 1 mei 2020. De beslissing is voor het overige verzochte aangehouden.

Het aangehouden verzoek

Zoals overwogen in de beschikking van 1 oktober 2019 heeft de kinderrechter de brief van de pleegouders van 17 september 2019 aangemerkt als een beroep op het blokkaderecht op grond van artikel 1:336a van het Burgerlijk Wetboek. De GI heeft bij verzoek van 2 december 2019 kenbaar gemaakt dat zij de brief anders zien, namelijk als een verzoek om omgang met [voornaam minderjarige] .
Bij brief van 8 december 2019 hebben de pleegouders benadrukt dat zij zich verzetten tegen de beslissing van de GI om hen niet langer als pleegouder - en als belanghebbende – aan te merken. De pleegouders hebben daartoe aangevoerd dat zij acht jaar lang liefdevol de zorg voor [voornaam minderjarige] hebben gedragen. Zij vinden het schokkend om te vernemen dat [voornaam minderjarige] de pleegvader geestelijke mishandeling verwijt, want hier is geen sprake van. [voornaam minderjarige] is een beschadigd kind, dat feit en fictie niet van elkaar kan onderscheiden. Het argument dat de GI aanvoert dat dit al twee keer eerder een uithuisplaatsing tot gevolg heeft gehad, is dan ook onjuist. De pleegouders hebben met de plaatsing van [voornaam minderjarige] bij Fier Leeuwarden ingestemd, omdat zij in de veronderstelling waren dat dit slechts tijdelijk zou zijn en dat [voornaam minderjarige] bij hen zou terugkeren.
Vanaf 8 augustus 2019 ging het bergafwaarts, zowel met de verstandhouding met de GI als met [voornaam minderjarige] , en [voornaam minderjarige] is uiteindelijk in Midgaard geplaatst. De pleegouders hebben nog steeds het beste met [voornaam minderjarige] voor en hebben er begrip voor dat zij aan zichzelf moet werken. De pleegouders vinden de gang van zaken echter betreurenswaardig. De door [voornaam minderjarige] geuite beschuldigingen worden zonder uitleg aan hen gemeld. Het liefste zouden de pleegouders zelf in gesprek gaan met [voornaam minderjarige] over haar verwijten. De pleegouders vinden het in het belang van [voornaam minderjarige] dat zij, op zijn minst, leert om op een goede manier afscheid te nemen. De vraag is echter of het in het belang van [voornaam minderjarige] is dat zij definitief afscheid neemt van haar pleegouders.

Het standpunt van de GI

De GI heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de pleegouders. In het onder zaaknummer C/10/586995 ingediende verzoekschrift van 2 december 2019 en ter zitting heeft de GI haar standpunt toegelicht.
De pleegouders hebben ingestemd met het verblijf van [voornaam minderjarige] in een crisisopvang en een vervolggroep. Uiteraard heeft de GI er begrip voor dat de pleegouders omgang willen. Echter, op dit moment is omgang niet in het belang van [voornaam minderjarige] . De psychiater van Fier schrijft in zijn eindrapportage onder meer dat [voornaam minderjarige] veel traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt, onder meer psychische mishandeling door de pleegvader. Ook [voornaam minderjarige] zelf heeft aangegeven dat zij omgang met de pleegouders als belastend ervaart. Tijdens het evaluatiegesprek, op 8 augustus 2019, was [voornaam minderjarige] overstuur. Zij gaf aan dat zij bang is voor de pleegouders. In overleg met pleegzorg is besloten het pleegzorgverblijf te beëindigen. Vanaf dat moment heeft de GI naar een passende vervolgplek gezocht. Daarbij is geprobeerd om [voornaam minderjarige] te motiveren tot contactherstel met de pleegouders, maar zij staat hier voorlopig niet voor open.
Ter zitting heeft de GI toegegeven dat zij heeft verzuimd de pleegouders om toestemming te vragen voor plaatsing van [voornaam minderjarige] bij Midgaard en hier haar excuses voor aangeboden.

De mening van [voornaam minderjarige]

Namens [voornaam minderjarige] heeft de advocaat naar voren gebracht dat [voornaam minderjarige] (voorlopig) niet open staat voor contactherstel met de pleegouders. [voornaam minderjarige] wil zich op haar behandeling richten. De advocaat sluit echter niet uit dat [voornaam minderjarige] hier op een later moment anders over denkt. Ook is het invoelbaar dat de pleegouders zich gekwetst voelen door de opstelling van de GI.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de pleegouders (met toestemming van de GI) gedurende acht jaar lang de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] als behorende tot hun (pleeg)gezin op zich hebben genomen, op grond waarvan zij als belanghebbenden in de diverse procedures zijn aangemerkt. De kinderrechter overweegt dat de GI ingevolge artikel 1:336a BW alleen met toestemming van de pleegouders het verblijf van [voornaam minderjarige] definitief mag wijzigen. Nu de pleegouders (en overigens ook de GI) in de veronderstelling waren dat de opname van [voornaam minderjarige] bij Fier slechts een tijdelijke maatregel betrof, waarna [voornaam minderjarige] weer bij de pleegouders zou terug keren, is de kinderrechter van oordeel dat de GI niet door middel van een enkele schriftelijke mededeling, zoals gedaan aan de pleegouders bij brief van 9 september 2019, het pleegzorgverblijf definitief kan beëindigen. Daarbij weegt mee dat [voornaam minderjarige] in het verleden vaker een korte periode buiten het pleeggezin verbleef om een crisissituatie te overbruggen. Zij keerde dan weer terug naar de pleegouders.
Ten onrechte heeft de GI voorts in genoemde brief van 9 september 2019 aan de pleegouders laten weten dat zij niet meer als belanghebbenden werden aangemerkt. Nadien heeft de GI deze mededeling telefonisch aan de pleegouders bevestigd, waarop de pleegouders niet naar de mondelinge behandeling zijn gegaan omdat zij meenden daar niet welkom te zijn.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI overeenkomstig de wettelijke regeling de pleegouders om uitdrukkelijke toestemming voor een wijziging verblijfplaats had moeten vragen en bij een weigering door de pleegouders de kinderrechter om vervangende toestemming had moeten vragen. Dit heeft de GI verzuimd. Het verzoek van de GI om een machtiging gesloten jeugdhulp van 6 september 2019 kan niet als zodanig worden gezien, omdat een dergelijke machtiging in beginsel bedoeld is om tijdens het verblijf in de geslotenheid terug te werken naar de vaste verblijfplaats van de jeugdige, in dit geval bij de pleegouders. Ook de enkele mededeling in de brief van de GI van 10 september 2019 dat het perspectief niet meer in het opgroeien binnen het pleeggezin ligt, kan de toestemming van de pleegouders met de definitieve wijziging in het verblijf niet vervangen.
De kinderrechter acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen op de verzoeken van de pleegouders, zoals gedaan bij brief van 17 september 2019 en aangevuld bij brief van 8 december 2019. Om die reden zal de kinderrechter de behandeling aanhouden tot de hierna genoemde zittingsdatum.
De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de hierna genoemde zittingsdatum inhoudelijk te reageren op voornoemde brief van 8 december 2019 van de pleegouders en nader te rapporteren over de laatste stand van zaken op dat moment, waaronder de (on)mogelijkheden tot contactherstel van [voornaam minderjarige] en de pleegouders (op welke manier dan ook).

De beslissing

De kinderrechter:
houdt aan de behandeling van de verzoeken van de pleegouders;

en alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat het verhoor van de pleegouders, de GI en mr. G.H. Amstelveen in deze zaak zal plaatsvinden op
10 april 2020 om 11.30 uurin het gerechtsgebouw te
Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de pleegouders, de GI, en mr. G.H. Amstelveen;
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter (en de belanghebbenden) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2019 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.A. den Hartog als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 februari 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.