ECLI:NL:RBROT:2019:1276

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 februari 2019
Publicatiedatum
19 februari 2019
Zaaknummer
rot 19/570
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Versnelde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31bis VerordeningArt. 53 Uitvoeringsregeling zeevisserijArt. 4 Verordening (EG) nr. 850/98Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing toestemming pulskorvisserij vanwege maaswijdte

De rechtbank Rotterdam behandelde op 20 februari 2019 het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 17 januari 2019 waarbij de toestemming voor pulskorvisserij voor het vissersvaartuig [x] voor twee maanden werd geschorst vanwege een geconstateerde overtreding van de maaswijdte-eisen.

Verzoekers betwistten de rechtmatigheid van de schorsing, onder meer omdat zij stelden dat de controle met de omega-meter niet correct was uitgevoerd en dat de voorwaarden met betrekking tot maaswijdte niet rechtsgeldig aan de toestemming waren verbonden. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van financiële aard onvoldoende zwaarwegend was en dat het verzoek om voorlopige voorziening slechts kan slagen indien het besluit in het oog springend onrechtmatig is.

De rechter vond dat de door verweerder gebruikte kalibraties voldoende waren onderbouwd en dat er twijfel bestond over de bevoegdheid van verweerder om aanvullende voorwaarden te verbinden aan de toestemming, maar dat hiervoor een diepgaander onderzoek noodzakelijk is. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van de toestemming voor pulskorvisserij wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4
zaaknummer: ROT 19/570
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekers]
gezamenlijk: verzoekers,
gemachtigde: mr. K. Boele,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder,
gemachtigde: mr. P.J. Kooiman.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2019 (het bestreden besluit) is de toestemming voor de pulskorvisserij voor het vissersvaartuig [x] verleend op 4 april 2014, met ingang van 4 februari 2019 geschorst voor een periode van 2 maanden tot 4 april 2019, zijnde de datum waarop de huidige toestemming voor de pulskorvisserij eindigt.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Verzoeksters hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door [a] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld van K. van Geenen, J. Duinstra en H. Demkes.

Overwegingen

1. Verzoekster 1 is eigenares van de [x] ; verzoekers 2 t/m 7 bemannen de [x] op basis van maatschapscontracten.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd, samengevat, dat bij een controle op 4 december 2018 een overtreding van artikel 53, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 850/98 (de Verordening) is vastgesteld, omdat bij twee metingen met een omega-meter is vastgesteld dat is gevist met te nauwe mazen in de kuil van het visnet aan de stuurboordzijde.
3. Verzoekers hebben betwist, samengevat, dat bij de controle op de juiste wijze – met een gekalibreerd meetinstrument – is vastgesteld dat de maaswijdte te nauw was en betoogd dat naleving van (onder meer) de bepalingen inzake de maaswijdte niet rechtsgeldig als (nadere) voorwaarde aan de toestemming tot pulskorvisserij is verbonden, zodat verweerder niet bevoegd was die toestemming te schorsen.
4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
5. Het gestelde spoedeisend belang is van financiële aard: te maken kosten en te derven opbrengsten. Een zodanig belang vormt naar vaste rechtspraak op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het staat verzoekers immers vrij om schadevergoeding van verweerder te vorderen indien het bestreden besluit in bezwaar of (hoger) beroep geen stand houdt. Dit kan anders zijn (onder meer de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) van 23 augustus 2017, ECLI:NL:CBB:2017:307) als de continuïteit van de onderneming wordt bedreigd, maar dat die situatie zich voordoet is niet gesteld of gebleken. Het financiële belang van verzoekers is als zodanig daarom onvoldoende zwaarwegend, waar nog bij komt dat gelet op actuele ontwikkelingen inzake de pulskorvisserij voorshands niet valt uit te sluiten dat een groot deel van de genoemde te maken kosten en te derven opbrengsten toch al op korte termijn aan de orde zouden zijn.
6.1.
De belangenafweging in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure kan niettemin tot de uitkomst leiden dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, indien het besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het oog springend onrechtmatig is. Het treffen van een voorziening op deze grond zal slechts dan aan de orde zijn als zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is (uitspraak van het College van 1 november 2016, ECLI:NL:CBB:2016:344). Die situatie doet zich niet voor. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat hetgeen verzoekers hebben aangevoerd over de kalibratie van de bij de controle gebruikte omega-meter door verweerder voorshands genoegzaam is weerlegd door te wijzen op het verschil tussen de door de fabrikant voorgeschreven jaarlijkse kalibratie van de omega-meter zelf (blijkens het certificaat laatstelijk voor de controle op 17 januari 2018) en de kalibratie van de testplaat (op 23 november 2017) en de gewichten (op 29 november 2017) die zijdens verweerder worden gebruikt voor tussentijdse “eigen” wekelijkse kalibraties van de omega-meter.
6.2.
Hoewel twijfel kan bestaan ten aanzien van de door verweerder gestelde bevoegdheid om in aanvulling op artikel 31bis, tweede lid, van de Verordening aan het toestaan van pulskorvisserij met de [x] ook de voorwaarde te verbinden dat wordt voldaan aan de Uitvoeringsregeling zeevisserij, is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit punt een diepgaander onderzoek naar het relevante recht noodzakelijk is, ook vanwege de onderzoekscontext waarin de onderhavige toestemming is gegeven en waarin mogelijkerwijze meer ruimte bestaat voor door de gestelde aanvullende voorwaarde (potentieel) afwijkende regelingen tussen lidstaten waar pulskorvisserij plaatsvindt. Het zelfde geldt voor de betwisting door verzoekers van de door verweerder gestelde bevoegdheid om de genoemde voorwaarde op te leggen door met toepassing van artikel 53, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij bij besluit van 30 november 2016 – waartegen, naar de voorzieningenrechter begrijpt, geen bezwaar is gemaakt – de eerder aan de toestemming verbonden voorwaarden te wijzigen, dit mede gelet op de door verzoekers aangevoerde wetsgeschiedenis en context van (de voorganger) van genoemd artikellid. Daarbij zal blijkens de door hen aangehaalde wetsgeschiedenis beoordeeld moeten worden welke voorwaarden nog kunnen gelden als voorwaarden voor deelname aan monitoring en onderzoek om vangstkarakteristieken en de impact van gewijzigde technische specificaties op ecosysteem en vangstefficiency in beeld te krijgen, in welk verband de maaswijdte niet op voorhand irrelevant lijkt.
7. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 februari 2019.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.