De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen buren over een boom die dicht bij de erfgrens stond en ramen in de zijgevel van een woning. De eiseres vorderde verwijdering van de boom wegens te geringe afstand tot de erfgrens, onrechtmatige hinder en schade. De rechtbank stelde vast dat de afstand van het midden van de voet van de boom tot de erfgrens groter was dan de toegestane 50 centimeter en dat de boom geen onrechtmatige hinder opleverde, mede omdat de hinder voorspelbaar was bij aankoop van de woning en de gedaagden toezegden onderhoud te verrichten.
Daarnaast vorderden de gedaagden in reconventie dat twee ramen in de zijgevel van de woning van de eiseres ondoorzichtig en vaststaand zouden worden gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de vordering tot vaststaand maken van het bovenste raam was verjaard, maar dat het onderste raam sinds 2015 opengaand was en dit onrechtmatig was. Daarom werd de vordering tot vaststaand maken van het onderste raam toegewezen met een dwangsom.
De rechtbank wees de vorderingen tot verwijdering van de boom, het inkorten van de boom en schadevergoeding af. De proceskosten in conventie werden aan de eiseres opgelegd, terwijl in reconventie de kosten tussen partijen werden gecompenseerd. Het vonnis werd uitgesproken door mr. D.I. Hendriks op 27 februari 2019.