De rechtbank Rotterdam behandelde op 20 februari 2019 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne, een middel genoemd op lijst I van de Opiumwet. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 10 maanden. De verdediging voerde onder meer overschrijding van de redelijke termijn aan, wat door de rechtbank werd verworpen.
Het bewijs bestond uit observaties van ontmoetingen op 4 en 5 mei 2010, doorzoekingen van voertuigen en woningen, aangetroffen goederen zoals telefoons en simkaarten, en tapgesprekken tussen verdachte en medeverdachten. De rechtbank achtte dat er sprake was van een serieuze verdenking, mede door het versluierd taalgebruik in de telefoongesprekken.
Echter kon de rechtbank niet vaststellen dat de gesprekken daadwerkelijk betrekking hadden op handel in harddrugs zoals cocaïne, zoals ten laste gelegd. Er was geen concreet bewijs van handel in middelen van lijst I, en het alternatieve scenario van handel in softdrugs kon niet worden uitgesloten. Ook waren er geen drugs aangetroffen bij verdachte of medeverdachten, behalve minimale sporen van cocaïne in de tas van een medeverdachte.
Daarom oordeelde de rechtbank dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.