ECLI:NL:RBROT:2019:2191
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens schulden en beschermingsbewind
De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van twee schuldenaren. De rechter-commissaris had een voordracht gedaan tot beëindiging op grond van feiten die reeds bestonden bij toelating, waaronder hogere dan opgegeven schulden en een recente fraudevordering. Schuldenaren hadden na toelating beschermingsbewind aangevraagd, wat volgens de rechtbank aannemelijk maakt dat zij destijds niet in staat waren hun financiën zelfstandig te beheren.
De rechtbank oordeelde dat de belastingschulden grotendeels buiten de vijfjaarstermijn vielen en dat de recente fraudevordering en hogere schulden niet hadden geleid tot afwijzing van het toelatingsverzoek. Het beschermingsbewind, indien destijds ingesteld, zou positief hebben meegewogen bij de beoordeling van de omstandigheden en een beroep op de hardheidsclausule mogelijk hebben gemaakt.
Hoewel schuldenares een tekortkoming had in haar sollicitatieplicht, leidde dit niet tot beëindiging maar tot verlenging van haar schuldsaneringsregeling met negen maanden. Schuldenaar voldeed aan zijn verplichtingen. De rechtbank gaf schuldenaren een laatste kans om de regeling succesvol af te ronden en wees het verzoek tot tussentijdse beëindiging af.
Uitkomst: Verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling geweigerd en verlenging van de regeling van schuldenares met negen maanden.