De rechtbank Rotterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan medeplegen van mishandeling van haar kind in de periode van maart 2012 tot mei 2014. De mishandelingen bestonden uit meerdere keren slaan, schoppen, krabben en het hard naar beneden drukken van het kind in de nek, waarbij het kind pijn en letsel heeft ondervonden.
De bewijsvoering berustte op consistente en gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer, de moeder van het slachtoffer en onafhankelijke getuigen, ondersteund door een kinder- en jeugdpsychiatrisch rapport dat de betrouwbaarheid van het slachtoffer bevestigde. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat de verklaringen onbetrouwbaar waren en dat er geen bewijs was van letsel of medeplegen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte en de medeverdachte gezamenlijk optraden met opzet tot mishandeling van het kind. Verdachte werd vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging betreffende het duwen van het kind van de trap en het gooien van een koelkastdeur, omdat dit onvoldoende bewezen was.
De straf werd gemotiveerd door de ernst van het feit, de schending van de zorgplicht van de moeder, de impact op het slachtoffer en het langdurige karakter van de mishandelingen. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn en de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar op.