Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2019:2954

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
18/4168_V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 35 Wbp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inzake uitblijven besluit bezwaar

Opposante diende een inzageverzoek in bij verweerder, waarna na uitblijven van een besluit een ingebrekestelling volgde. Verweerder gaf vervolgens inzage en documenten. Opposante maakte bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op dit bezwaar. De rechtbank kwalificeerde het bezwaar als gericht tegen besluiten van 6 januari 2017 en verwees terug naar verweerder.

Opposante stelde later beroep in tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening conform artikel 6:12, vierde lid, Awb. Opposante maakte hiertegen verzet, stellende dat zij gesprekken had met verweerder en dat het bezwaar ook betrekking had op onvolledige dossierverstrekking. Zij betoogde dat de rechtbank onzorgvuldig en willekeurig had gehandeld.

De rechtbank oordeelde dat het verzet geen nieuwe inzichten bood die twijfel konden doen ontstaan over de eerdere beslissing. De eerdere niet-ontvankelijkverklaring bleef gehandhaafd, het verzet werd ongegrond verklaard en de procedure werd gesloten. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens te late indiening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/4168
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2019 als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[Naam], te [Plaats], opposante,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2018 in het geding tussen opposante en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: verweerder) over het besluit van 19 juli 2018.

Procesverloop

Opposante heeft op 27 oktober 2016 een inzageverzoek als bedoeld in artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens bij verweerder ingediend. In verband met uitblijven van een besluit op dit verzoek heeft opposante verweerder op 28 december 2016 in gebreke gesteld.
Verweerder heeft op 6 januari 2017 opposante inzage in de verlangde stukken gegeven en aansluitend aan haar documenten toegezonden.
Opposante heeft op 16 februari 2017 bezwaar gemaakt tegen een besluit, althans het niet en/of niet tijdig nemen van een besluit op/of omstreeks 6 januari 2017. Verweerder heeft dit bezwaar doorgezonden aan de rechtbank met het verzoek dit bezwaar aan te merken als een beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.
De rechtbank heeft bij beslissing van 28 juni 2017 het bezwaar aangemerkt als een bezwaar gericht tegen de besluiten van 6 januari 2017 en terugverwezen naar verweerder.
Opposante heeft op 6 augustus 2018 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op voormeld bezwaar.
De rechtbank heeft op 6 december 2018 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 22 februari 2019. De behandeling van het verzet is aangehouden om bij verweerder navraag te doen over de stand van zaken met betrekking tot de afhandeling van eerdergenoemd bezwaar.
De rechtbank heeft verweerder bij brief van 4 maart 2019 verzocht aan te geven wat de stand van zaken is met betrekking tot de afhandeling van het bezwaar. Verweerder heeft bij brief van 13 maart 2019 gereageerd en meegedeeld dat het bezwaar is behandeld in een op 28 februari 2019 gehouden hoorzitting en dat een besluit op bezwaar wordt voorbereid.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 19 december 2018 het beroep terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat het beroep ongegrond is, omdat het beroep tegen de beweerdelijke weigering van verweerder om op het bezwaar te beslissen onredelijk laat is ingediend als bedoeld in artikel 6:12, vierde lid, van de Awb. Verder is overwogen dat opposante geen bijzondere omstandigheden heeft aangedragen die maken dat het beroep niet redelijk laat is ingediend.
3. Opposante heeft in verzet - voor zover van belang en samengevat - aangevoerd dat ze op initiatief van verweerder in januari, april en mei 2018 nog gesprekken heeft gehad met verweerder die er ook voor waren bedoeld om tot een oplossing te komen in verband met de lange looptijd van het bezwaar. Het bezwaar richt zich niet alleen tegen het uitblijven van een besluit maar tevens tegen een onjuiste en/of onvolledige verstrekking van het gevraagde dossier, aldus opposante. Opposante vraagt zich af of de rechtbank op de hoogte was van alle correspondentie van verweerder met betrekking tot de nog te nemen beslissing op bezwaar. Zo dit het geval is, waarom heeft de rechtbank dan niet de beslissing op bezwaar afgewacht en/of bepaald dat verweerder op straffe van een dwangsom een beslissing op bezwaar moet nemen. Zo de rechtbank hiervan geen kennis droeg is opposante van oordeel dat zij niet onredelijk laat beroep heeft ingesteld, omdat verweerder het vertrouwen heeft gewekt dat er een beslissing op bezwaar zou komen. Volgens opposante heeft de rechtbank met de 8:54-uitspraak zich schuldig gemaakt aan willekeur en gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden. De zaak leende zich niet voor vereenvoudigde afdoening aldus opposante.
4. De verzetrechter ziet in hetgeen opposante in verzet aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 december 2018 is gedaan.
5. Om deze reden is het verzet ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van
C.W. Steenkist, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.