Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[X](per 24 januari 2018 voortgezet door [X B.V.] ),
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) na een faillissementsaanvraag door de Belastingdienst. De rechtbank heeft verzoekster meerdere malen in de gelegenheid gesteld om een met redenen omklede verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet Pro te overleggen, waarin wordt verklaard dat er geen reële mogelijkheden zijn voor een buitengerechtelijke schuldregeling.
Ondanks diverse aanhoudingen en uitsteltermijnen, waaronder een termijn van 120 dagen en een uitstel tot 18 maart 2019, heeft verzoekster deze verklaring niet kunnen overleggen. De rechtbank constateert dat verzoekster zich wel tot schuldhulpverlening heeft gewend en een aanvraag voor een BBZ-krediet heeft lopen, maar dat hiervan geen concreet resultaat is gebleken.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster ruim voldoende gelegenheid heeft gehad om de verklaring te overleggen en dat geen verdere uitstel gerechtvaardigd is. Gezien het ontbreken van de verklaring en het feit dat de Belastingdienst als schuldeiser niet instemt met verder uitstel, verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De uitspraak is gedaan door rechter J.C.A.T. Frima op 21 maart 2019. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld door de daartoe gerechtigde personen.
Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van de vereiste verklaring.