ECLI:NL:RBROT:2019:3070

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
17 april 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6065
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitkeringsspecificatie is geen besluit indien geen wijziging ten opzichte van eerder besluit

Eiseres maakte bezwaar tegen een uitkeringsspecificatie bijzondere bijstand van juni 2018, waarin een bedrag van €193,99 werd vermeld voor woonkostentoeslag. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de specificatie geen nieuw besluit inhoudt.

De rechtbank stelt vast dat het oorspronkelijke besluit van 2 mei 2018 de woonkostentoeslag voor de periode april 2018 tot april 2019 vastlegt. De maandelijkse uitbetaling van €193,99 is een herhaling van dit besluit en vormt geen zelfstandige besluitvorming. Hierdoor is de uitkeringsspecificatie geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Omdat het bezwaar tegen de specificatie ziet op een herhaling van een eerder besluit, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond en wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 18/6065
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiseres,

en
de gemeente van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een “Uitkeringsspecificatie Bijzondere Bijstand juni 2018” van 21 juni 2018 met daarop vermeld een bedrag van € 193,99 ter zake van “WKT huurwoning/koopwoning”
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij besluit van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Bij besluit van 2 mei 2018 heeft verweerder aan eiseres bijzondere bijstand voor woonlasten (woonkostentoeslag) verleend. Eiseres krijgt van 4 april 2018 tot en met 3 april 2019 elke maand € 193,99 op haar rekening gestort.
3. De rechtbank stelt voorop dat aan elke betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan echter niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld. Voor zover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al eerder een besluit is genomen en daarin bij een periodieke betaling geen wijziging optreedt, is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3614).
4. Uit het besluit van 2 mei 2018 blijkt dat eiseres maandelijks een woonkostentoeslag van € 193,99 ontvangt. Indien eiseres het niet eens is met dit besluit, had zij daartegen binnen de wettelijke termijn bezwaar moeten maken. Dit betekent dat de uitkeringsspecificatie over de maand juni 2018 een herhaling is van een eerder genomen beslissing en daarom niet op rechtsgevolg is gericht. De uitkeringsspecificatie kan dus niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het daartegen gerichte bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van S.A. Bakker, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 april 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.