ECLI:NL:RBROT:2019:3166

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2019
Publicatiedatum
23 april 2019
Zaaknummer
ROT 18/4841
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:89 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige sluiting restaurant naast woning met hennepkwekerij

Eiseres exploiteert een restaurant op de begane grond en verhuurt de bovenliggende woning waar de politie een hennepkwekerij aantrof. Verweerder sloot het gehele pand voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. De rechtbank stelt vast dat het restaurant en de woning bouwkundig en functioneel gescheiden zijn, met aparte toegangen en een tussenliggende verdieping.

De rechtbank oordeelt dat de burgemeester niet bevoegd was om het restaurant te sluiten, omdat een verzegeling van de woningtoegang voldoende was om het signaal tegen drugshandel zichtbaar te maken. De stelling dat alleen sluiting van de woning de beleidsdoelen zou doorkruisen, is niet aannemelijk gemaakt.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot sluiting van het restaurant wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen voor zover het restaurant betreft. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het schadeverzoek en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De sluiting van het restaurant wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover het restaurant betreft.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 18/4841

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Zoetermeer, eiseres,

gemachtigde: mr. E.G.J.M. Meijer,
en

de burgemeester van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigden: mr. P.J. van Bruggen en mr. J.A.F van Herwijnen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd om het pand aan het [adres 1] /de [adres 2] te Dordrecht (het pand) gesloten te houden voor duur van drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
Bij besluit van 6 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019. Namens eiseres zijn verschenen [naam] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres huurt het pand en exploiteert daarin op de begane grond restaurant
[naam horecagelegenheid] (het restaurant) en is voornemens om op de eerste verdieping een shishalounge te exploiteren. De tweede en derde verdieping verhuurt eiseres als woning.
Op 16 februari 2018 heeft de politie in de woning 600 hennepplanten, 1090 hennepstekken en 2,6 kilo hennepresten gevonden. Dit is voor verweerder aanleiding geweest om het gehele pand te sluiten voor de duur van drie maanden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bevoegd was niet alleen de woning maar ook het restaurant te sluiten.
2. Verweerder heeft afgezien van een gedeeltelijke sluiting van het pand om te voorkomen dat de doelstellingen van het beleid worden doorkruist en om de sluiting zichtbaar te maken.
3. Eiseres voert aan dat zij het pand huurt sinds 2009 en dat zij nooit iets te maken heeft gehad met softdrugs. Zij heeft de woning onderverhuurd voor een bedrag van € 2.200,- per maand inclusief gas, water en licht. Zij had geen enkel vermoeden dat de huurder de woning gebruikte voor een hennepkwekerij. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de woning en het restaurant. In het restaurant zijn geen sporen van een hennepkwekerij aangetroffen. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij een klein restaurant is en een sluiting tot een faillissement van het restaurant kan leiden.
4. In het licht van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State staat ter beoordeling of tussen het restaurant en de woning een zodanige bouwkundige of functionele relatie bestaat dat zij een samenhangend geheel vormen.
Vast staat dat de publieksingang van het restaurant aan de voorkant van het pand is, met het adres [adres 2] . Aan de achterzijde van het pand, met het adres [adres 1] , is een deur die toegang geeft tot een hal. In de hal is er een deur die toegang geeft tot het restaurant. Deze toegang tot het restaurant of het bestaan van een relatie tussen de zijde van het pand aan het [adres 1] en het restaurant, is voor het publiek niet kenbaar aan de zijde van het pand aan het [adres 1] . Verder is er in de hal een trap naar de eerste verdieping. Op de eerste verdieping bevindt zich de deur naar trapopgang naar de woning op de tweede en derde verdieping. Het restaurant en de woning zijn dus van elkaar gescheiden door een tussenliggende verdieping en doordat beide een eigen toegangsdeur hebben, die echter wel bereikbaar is via dezelfde buitendeur. Dat laatste betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat sprake is van een zodanige bouwkundige verwevenheid dat het restaurant en de woning als een samenhangend geheel moeten worden beschouwd. Van een functionele verwevenheid is evenmin sprake. Het restaurant en de woning zijn bouwkundig en functioneel van elkaar te onderscheiden en ook daadwerkelijk van elkaar gescheiden. Gelet hierop was verweerder niet bevoegd om ook het restaurant te sluiten. Dat de sluiting onvoldoende zichtbaar zou zijn als niet ook de ingang van het restaurant verzegeld zou worden, volgt de rechtbank niet. Een verzegeling van de toegang tot de woning en van de deur aan het [adres 1] was naar het oordeel van de rechtbank voldoende geweest om een zichtbaar signaal af te geven dat wordt opgetreden tegen de handel in drugs. Dat met een sluiting van alleen de woning de doelstellingen van het beleid zouden worden doorkruist, is, zonder nadere motivering, die echter ontbreekt, niet aannemelijk gemaakt door verweerder.
5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Nu verweerder niet bevoegd was om het restaurant te sluiten zal de rechtbank het primaire besluit herroepen voor zover verweerder daarbij heeft gelast ook het restaurant te sluiten en gesloten te houden.
6. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding. Daartoe heeft zij een schadeberekening van Control 2000 BV van 6 september 2018 overgelegd. Het daarin vermelde schadebedrag stijgt aanzienlijk uit boven het bedrag van € 25.000 dat op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht als bovengrens van de bevoegdheid van de bestuursrechter geldt. Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek. Eiseres kan uitsluitend een verzoek indienen bij de burgerlijke rechter.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze forfaitaire bedragen af te wijken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit voor zover daarbij ook is gelast het restaurant te sluiten en gesloten te houden;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 338,00 vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.048,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzitter, en mr. C.A.F. van Ginneken en
mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier.
De uitspraak is in het openbaar gedaan op 10 april 2019.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.