Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 20 februari 2018;
- het F9-formulier van de man, ingekomen op 20 maart 2018;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 13 juni 2018;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 15 augustus 2018;
- het rapport van de bijzondere curator, ingekomen op 17 oktober 2018;
- het aanvullende verzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 28 december 2018;
- de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 28 december 2018;
- de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 11 januari 2019;
- de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 15 januari 2019;
- de brief met bijlagen van de zijde van de man van 15 januari 2019.
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw met haar advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] en
- de bijzondere curator [naam curator] .
2.De beoordeling
.
- Schijf 1: tot € 75.000
- Schijf 2: vanaf € 75.000 tot € 975.000
- Schijf 3: vanaf € 975.000
- Het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 1.026,-.
- De ziektekosten van € 140,-, bestaande uit de premie voor een zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekeringen, van € 175,-, verminderd met het reeds in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 35,-.
De vrouw stelt dat niet met de gehele woonlast rekening dient te worden gehouden omdat de man een veel duurdere woning heeft gekocht dan partijen tijdens het huwelijk beschikbaar hadden. De rechtbank kijkt bij het bepalen of een woonlast redelijk is naar de daadwerkelijke lasten en niet naar de waarde van de woning. Als plafond voor 'redelijke woonlasten' kan volgens het Tremarapport aangehouden worden 1/3 van het netto besteedbaar inkomen, maar dan berekend zonder (het fiscaal voordeel van het saldo van) de hypotheeklast, andere direct daarmee verband houdende fiscale aftrekposten en het eigenwoningforfait van de desbetreffende woning. Dit in aanmerking nemend, heeft de man een redelijke woonlast. De rechtbank houdt dan ook rekening met de lasten van de woning zoals deze door de man zijn gesteld.
Gelet op de (omvang van de) dienstbetrekking van de man en het feit dat hij deze combineert met de zorg voor de drie minderjarigen, acht de rechtbank het redelijk om met deze kosten rekening te houden.
De man heeft een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat in 2018 de kosten € 635,- per maand bedroegen en dat hij recht heeft op € 188,04 aan kinderopvangtoeslag. Aangezien de tarieven zijn gewijzigd per 1 januari 2019, neemt de rechtbank het door de man opgevoerde, en door de vrouw niet gemotiveerd betwiste, bedrag over in de berekening.
Met deze kosten wordt rekening gehouden. In het algemeen zal met de noodzakelijke kosten van kinderopvang rekening gehouden zijn bij de bepaling van de behoefte van de kinderen. In deze zaak is dat niet het geval, want toen partijen nog bij elkaar waren, maakten ze geen kinderopvangkosten. Indien er kosten worden gemaakt door de partneralimentatieplichtige om het inkomen te verwerven, kan met deze kosten rekening worden gehouden. De man heeft ter zitting het contract van de kinderopvang laten zien. Gelet op de (omvang van zijn) dienstbetrekking worden deze kosten redelijk geacht. Aan de stelling van de vrouw dat zij fulltime beschikbaar is voor de minderjarigen wordt in dit kader voorbijgegaan gelet op de omstandigheid dat de vrouw geen woon- of verblijfplaats heeft in (de buurt van) Amersfoort.
Deze kosten worden op grond van het Tremarapport geacht te zijn inbegrepen in de behoefte van de minderjarigen. Hiermee wordt dus ten laste van de draagkracht van de man geen rekening gehouden.
‘In alle gevallen waarin een geschil bestaat over de vraag aan wie van de echtgenoten een goed toebehoort en niet kan worden vastgesteld of bewezen aan wie het toebehoort, wordt het geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.’