Verzoeker, bestuurder van een besloten vennootschap, diende een verzoek in tot een gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet. Het voorstel betrof een betaling van een klein percentage aan preferente en concurrente schuldeisers, gefinancierd door een saneringskrediet. Vijftien schuldeisers stemden in, twee weigerden.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat het voorstel het uiterste was waartoe verzoeker in staat moest worden geacht. Verzoeker kon niet overtuigend aantonen dat zijn vermogen ten behoeve van schuldeisers maximaal werd ingezet, mede gezien zijn rol als bestuurder van een vennootschap zonder activiteiten en vermoedens van vermogensonttrekking.
De belangen van de weigerende schuldeisers werden zwaarder gewogen dan die van verzoeker en overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek om een gedwongen schuldregeling afgeworpen. De rechtbank kondigde aan bij afzonderlijke uitspraak te beslissen over toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.