Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2019 in de zaken tussen
[onderneming] ([eiseres]), te [vestigingsplaats], eiseres,
Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), verweerster,
Procesverloop
Overwegingen
inhoudelijkin behandeling neemt, begrijpt de rechtbank dat geen sprake is van het niet in behandeling nemen van een aanvraag op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb, maar dat bedoeld is het verzoek om handhaving af te wijzen omdat de AFM niet bevoegd is op grond van de Wft tegen [eiseres] op te treden, althans dat de AFM bij die brief aan [eiseres] heeft meegedeeld niet bevoegd te zijn handhavend op te treden. De AFM stelt zich daarbij op het standpunt dat zij
evidentgeen bevoegdheid heeft om op te treden tegen [eiseres], zodat het handhavingsverzoek niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De brief van 19 januari 2018 bevat volgens de AFM geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en daartegen kan geen bezwaar worden gemaakt. Daarom heeft de AFM het bezwaar bij het bestreden besluit II niet-ontvankelijk verklaard.