Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen
[Onderneming] ( [eiseres] ), gevestigd te [vestigingsplaats], [eiseres] ,
de Nederlandsche Bank N.V. (DNB), verweerster,
Procesverloop
Overwegingen
De heffing voor de kosten van toezicht is nationaal geregeld. Uit artikel 13, negende lid, van de Wbft in combinatie met artikel 3, eerste lid, van de Regeling 2017 volgt dat het minimum aan te houden toetsingsvermogen wordt vastgesteld van degene die handelt voor eigen rekening. Uit bijlage II van de Wbft volgt dat het (in dit geval) gaat om beleggingsondernemingen die in de uitoefening van beroep of bedrijf in Nederland beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten, waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:96 van Pro de Wft. [concern] valt niet onder de toezichtcategorie als bedoeld in bijlage II van de Wbft. [eiseres] is hier de rechtspersoon met vergunning die handelt voor eigen rekening. DNB had de heffingskosten dan ook op het toetsingsvermogen van [eiseres] in plaats van [concern] moeten baseren.
€ 1.536,- (1 punt voor het indienen het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1,5).