Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2019:3957

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2019
Publicatiedatum
15 mei 2019
Zaaknummer
C/10/570826 / FT EA 19/493
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanning tot boedelbaten

Verzoeker diende op 27 maart 2019 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank hield op 30 april 2019 een zitting waarbij verzoeker werd gehoord. De schuldenlast bedroeg volgens de verklaring € 505.204,61, later aangevuld tot € 666.096,42.

De rechtbank toetste of verzoeker te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Geconstateerd werd dat verzoeker de schuld aan Rabobank lange tijd onbetaald liet, ondanks dat hij financieel in staat was tot aflossing. Ook was onvoldoende inzicht gegeven in een aanvullende schuld aan een voormalige onderneming waarvan verzoekers echtgenote bestuurder was.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verzoeker onvoldoende inspanningen levert om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen en baten voor de boedel te verwerven. Verzoeker ontvangt een relatief laag salaris uit een door hem feitelijk bestuurde vennootschap en maakt gebruik van een leaseauto met fiscale bijtelling, wat zijn aflossingscapaciteit beperkt.

Gelet op deze omstandigheden en het ontbreken van feiten die toelating rechtvaardigen, wees de rechtbank het verzoek af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanning tot het verwerven van baten voor de boedel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 15 mei 2019
[naam 1],
[adres]
[postcode] [woonplaats]
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 27 maart 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat mr. M.J. Biesheuvel, is gehoord ter terechtzitting van 30 april 2019.

2.De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 505.204,61. In de brief van 29 april 2019 van de advocaat van verzoeker wordt gesteld dat de schuldenlast hoger is gebleken, namelijk
€ 666.096,42.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
De rechtbank acht het verzoeker verwijtbaar dat hij de schuld aan Rabobank lange tijd onbetaald heeft gelaten. De vorderingen van Rabobank zijn ontstaan kort nadat verzoeker in financiële problemen is gekomen na de faillissementen van een groep assurantietussenpersonen in 2011, waarvan de echtgenote van verzoeker (mede)bestuurder was. Verzoeker heeft pas laat bij Rabobank inzicht gegeven in zijn financiële positie en is pas in maart 2018 begonnen met het afbetalen van de schuld aan Rabobank; er is een betalingsregeling getroffen van € 600,- per maand. Verzoeker heeft lange tijd de schuld aan Rabobank onbetaald gelaten en het is niet gebleken dat hij financieel niet in staat zou zijn geweest om eerder een begin te maken met het aflossen van de schuld. Verzoeker heeft hiermee zijn schulden aan Rabobank niet te goeder trouw laten voortduren.
De advocaat van verzoeker heeft daags voor de zitting, per brief van 29 april 2019, laten weten dat de totale schuldenlast hoger blijkt de zijn: gebleken is dat verzoeker nog een schuld heeft, namelijk aan zijn voormalige onderneming [naam vennootschap 1] (hierna: [naam vennootschap 1] ), van welke vennootschap zijn echtgenote bestuurder is. Deze schuld bedraagt € 160.891,81 aldus verzoeker. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker onvoldoende inzicht heeft gegeven in het ontstaan en onbetaald laten van deze schuld. De rechtbank kan daarom niet toetsen of deze schuld al dan niet ter goeder trouw is ontstaan en/of onbetaald gelaten.
Uit de openbare failllissementsverslagen blijkt dat in de hiervoor genoemde faillissementen van de groep assurantietussenpersonen de echtgenote van verzoeker in november 2012 een vaststellingovereenkomst heeft gesloten met de curator. In deze overeenkomst heeft zij als bestuurder – samen met de andere verantwoordelijke bestuurders – aansprakelijkheid erkend wegens wanbestuur en daarmee een schuld erkend van minimaal 40 miljoen euro. Verzoeker en zijn echtgenote waren op dat moment in gemeenschap van goederen gehuwd. Verzoeker heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat hij voor die schuld niet meer kan worden aangesproken, omdat verzoekers op een later moment alsnog huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen. De rechtbank is echter van oordeel dat verzoeker dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Het standpunt van de curator hierover is onbekend gebleven. Gelet op de belangen had het op de weg van verzoeker gelegen om hierover meer duidelijkheid te verschaffen.
Naast dat een verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw moet zijn geweest, moet het voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
Verzoeker werkt sinds 22 oktober 2012 in loondienst bij [naam vennootschap 2] en heeft een inkomen van € 2.004,77. Verzoeker werkt op dit moment gemiddeld 36 uur per week. Verzoeker heeft de onderneming zelf opgericht op 22 oktober 2012. Bestuurder en enig aandeelhouder van de onderneming is [naam vennootschap 3] , wiens bestuurder en enig aandeelhouder [naam vennootschap 4] is. Bestuurder en enig aandeelhouder van [naam vennootschap 4] is de dochter van verzoeker: [naam 2] , geboren [geboortedatum] . Verzoeker heeft ter zitting erkend dat hij deze constructie zelf heeft opgezet om meer bewegingsvrijheid te creëren vanwege de schuld aan Rabobank. Zijn dochter is afgestudeerd en verblijft de hele week op de kazerne. Ter zitting is niet gebleken dat de bemoeienis van de dochter van verzoeker bij [naam vennootschap 2] . verder gaat dan het zo nu en dan als formeel bestuurder tekenen van stukken. Tegen deze achtergrond kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verzoeker voormelde vennootschap feitelijk zelf bestuurt. Verzoeker ontvangt een salaris van [naam vennootschap 2] . van € 2.004,77 netto per maand. Gelet op de leeftijd en ervaring van verzoeker is de rechtbank van oordeel dat verzoeker voor zijn werkzaamheden een opmerkelijk laag salaris ontvangt. Verzoeker spant zich daarmee onvoldoende in om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven en benadeelt daarmee opzettelijk zijn schuldeisers.
Daar komt bij dat verzoeker gebruik maakt van een leaseauto, die hij tot op heden zowel zakelijk als privé gebruikt, waardoor er sprake is van een fiscale bijtelling. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij bereid is om bij toelating tot de WSNP afstand te doen van het privégebruik van de leaseauto. De netto bijtelling bedraagt € 475,- per maand. Gelet op de aard, omvang en duur van de schuldenlast van verzoeker had hij eerder moeten afzien van het privé gebruik van de leaseauto, nu dit direct invloed heeft op hetgeen hij op zijn schulden kan aflossen.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van
mr. H.A. Wolterink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019. [1]