ECLI:NL:RBROT:2019:3991
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïnehandel
De rechtbank Rotterdam heeft op 10 april 2019 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïnehandel, in strijd met de Opiumwet. De tenlastelegging betrof het voorbereiden en bevorderen van het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnenbrengen van cocaïne.
Tijdens de terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd tot vrijspraak, omdat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. De rechtbank volgde dit standpunt en sprak de verdachte zonder nadere motivering vrij. De bewijswaardering was onvoldoende om de schuld van verdachte aan te tonen.
De tenlastelegging omvatte onder meer het hebben van voorwerpen, middelen en contacten met diverse betrokkenen bij de handel in cocaïne, waaronder transporteurs en financiers, alsmede het verstrekken van informatie en opdrachten. Desondanks concludeerde de rechtbank dat deze feiten niet bewezen konden worden.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam, onder voorzitterschap van mr. P. Putters en de rechters mr. R. Brand en mr. W.J.M. Diekman. De uitspraak bevestigt het belang van een wettig en overtuigend bewijs in strafzaken.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïnehandel.