Onderneming] was een financiële dienstverlener met een beperkt aantal werknemers. Kern van de activiteiten van [onderneming] was het beleggen voor cliënten en het adviseren daarover in het kader van vermogensbeheer.
Kort na 1 oktober 2014 is [onderneming] verhuisd naar het bedrijfspand van [onderneming 2] in [plaats]. [Onderneming] maakte daar gebruik van faciliteiten van [onderneming 2]. Daarnaast heeft de AFM gemotiveerd en onweersproken gesteld dat de financiële situatie van [onderneming] niet rooskleurig was en dat zij in dat opzicht sterk leunde op [onderneming 2] en [verzoeker].
[Verzoeker] werkte op het kantoor van [onderneming 2] in [plaats] en verrichtte daar ook werkzaamheden ten behoeve van [onderneming]. Formeel is [verzoeker] pas per 1 juli 2015 door [onderneming] ingehuurd, maar feitelijk was hij al eerder volop betrokken bij [onderneming]. De AFM wijst in dit verband terecht op een aantal e-mailberichten van [naam 3]. In diens e-mail van 13 oktober 2014 vraagt hij [verzoeker] om commentaar op een voorgestelde beleggingsstrategie. Uit de e-mails van 9 november en 7 december 2014 blijkt dat het de bedoeling was dat [verzoeker] voor [onderneming] zou gaan handelen. Op 30 januari 2015 stuurt [naam 3] een e-mail met de strekking dat hij de maandag daarop weer gaat handelen, tenzij hij [verzoeker] dan in de weg zit. Uit deze mails blijkt actieve betrokkenheid van [verzoeker] bij de activiteiten van [onderneming] en uit de mails van 13 oktober 2014 en 30 januari 2015 blijkt dat zijn rol niet slechts ondergeschikt en uitvoerend was.
Voor 13 april 2016 waren uitsluitend [naam 2] en [naam 3] statutair bestuurders van [onderneming] en bij de AFM aangemeld als dagelijks beleidsbepalers. [Naam 3] was verantwoordelijk voor de frontoffice-activiteiten van [onderneming], zoals het beheer van portefeuilles van cliënten, maar hij was in april 2016 al een jaar afwezig wegens ziekte en niet meer betrokken bij de (commerciële) activiteiten van [onderneming]. [Naam 2] hield zich niet bezig met portefeuillebeheer.
Geen van de bestuurders werkte evenveel voor [onderneming] als [verzoeker]. [Verzoeker] vertegenwoordigde [onderneming] intern en extern. Uit gegevens van het telefoonverkeer naar [onderneming] en e-mails blijkt dat [verzoeker] regelmatig contact onderhield met cliënten, samenwerkingspartners en de accountant van [onderneming]. Vanaf 4 september 2014 onderhield [verzoeker] contacten met [onderneming 3], dat cliënten aanbracht bij [onderneming]. Dit contact intensiveerde na oktober 2014. Ook onderhield [verzoeker] externe contacten over het [fonds].
[Verzoeker] voert terecht aan dat het aantal door hem en anderen gevoerde telefoongesprekken niet bepalend is voor het antwoord op de vraag wie het dagelijks beleid van [onderneming] (mede) bepaalde. Het aantal gesprekken en de aard daarvan kan hiervoor echter wel een indicatie zijn. Het telefoonverkeer levert bezien in samenhang met andere feiten en omstandigheden, zoals de e-mails en de ziekte van [naam 3], de rol van [naam 2] en [onderneming]’s afhankelijkheid van [onderneming 2], voldoende bewijs van de juistheid van het standpunt van de AFM dat [verzoeker] van 1 oktober 2014 tot 13 april 2016 het beleid van [onderneming] (mede) bepaalde.
Ter zitting heeft [verzoeker] met behulp van de door de AFM gehanteerde telefoongesprekkenlijst, waarin hij met kleuren de gestelde aard van de telefoongesprekken heeft verduidelijkt, betoogd dat de meeste telefoongesprekken privé waren. Dat volgt echter niet zonder meer uit het overzicht. Evenmin kan op grond van kruisjes die [verzoeker] op een agenda-uitdraai uit 2014 en 2015 heeft gezet, die zouden verwijzen naar creditcarduitgaven in Nederland, worden aangenomen dat [verzoeker] van 1 oktober 2014 tot 13 april 2016 bijna niet in Nederland was. Ook als dat wel wordt aangenomen, leidt dat niet zonder meer tot een andere conclusie. [Verzoeker] kan ook vanuit [land] per telefoon of e‑mail contacten onderhouden en [onderneming] (mede) besturen. Het ter zitting gedane aanbod van [verzoeker] om een volledig overzicht van het gebruik van zijn creditcard te verstrekken, kan dan ook niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Ten slotte kan het argument dat [naam 2] een andere visie heeft op de rol van [verzoeker] dan de AFM niet afdoen aan de feiten zoals die door de AFM zijn vastgesteld en de juistheid van de daaraan door haar verbonden conclusie.