ECLI:NL:RBROT:2019:4234

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2019
Publicatiedatum
23 mei 2019
Zaaknummer
10/960303-17 18/2903 (89 Sv) 18/2904 (591a Sv)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 90 SvArt. 591a SvArt. 9a SrOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schadevergoeding na vrijspraak in Opiumwetzaak

De verzoeker was in voorlopige hechtenis op verdenking van een overtreding van de Opiumwet en werd bij vonnis vrijgesproken. Hij verzocht om vergoeding van immateriële schade, loonderving en kosten rechtsbijstand op grond van artikel 89 en Pro 591a Sv.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende verdenking was om de voorlopige hechtenis te rechtvaardigen en dat de verzoeker onvoldoende nadere verklaring gaf voor zijn aanwezigheid op de plaats delict. Hierdoor waren geen gronden van billijkheid aanwezig om immateriële schade of loonderving te vergoeden.

Ook het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand werd afgewezen omdat de beslissing op het verzoek op grond van artikel 89 Sv Pro geen billijkheidsgronden bood voor vergoeding. De rechtbank wees alle verzoeken af en sprak de beschikking uit op 30 april 2019.

Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding van immateriële schade, loonderving en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van billijkheidsggronden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/960303-17
Raadkamernummers: 18/2903 (89 Sv)
18/2904 (591a Sv)
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op de verzoeken van:

[naam verzoeker] , verzoek,

geboren op [geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker] , Marokko,
voor deze zaak domicilie kiezende te Rotterdam, Heemraadssingel 165, ten kantore van
zijn raadsman mr. C.Y. Kekik.

Procedure

Op 8 oktober 2018 zijn ingediend twee verzoekschriften met verzoeken op grond van artikel 89 respectievelijk Pro artikel 591a Sv.
De verzoeken zijn op 30 april 2019 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. P.E.M. Morsch, de verzoeker en de raadsman zijn gehoord.

Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie

Verzoek artikel 89 Sv Pro
Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker ten laste van de Staat wordt toegekend een bedrag van € 33.179,- bestaande uit:
  • een bedrag van € 17.275,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest;
  • een bedrag van € 15.904,- als vergoeding voor loonderving.
De officier van justitie heeft primair geconcludeerd dat er geen gronden van billijkheid zijn om een vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd dat verzoeker zich eerst beroept op zijn zwijgrecht en voor de rechter-commissaris een summiere verklaring heeft afgelegd. Het had meer in de reden gelegen dat hij meer over de situatie zou verklaren. Hierdoor moet de gevolgen van de voorlopige hechtenis voor rekening van verzoeker blijven.
De officier van justitie heeft subsidiair geconcludeerd tot matiging van de immateriële schade omdat de voorlopige hechtenis slechts 147 dagen heeft geduurd en ten aanzien van de inkomstenderving omdat voorstaande inhoudt dat verzoeker dan slecht voor 4 maanden inkomstenderving heeft gehad.
Verzoek artikel 591a Sv
Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor de kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 280,- en bij een behandeling en nadere toelichting in raadkamer ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 550,-.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Feiten

De verzoeker is in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer van 10 november 2017 tot op 13 november 2017 in verzekering gesteld geweest op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Aansluitend heeft hij tot de schorsing van 6 april 2018 in voorlopige hechtenis verbleven.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 27 juni 2018, is de verzoeker vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 12 juli 2018 onherroepelijk geworden.
Verzoek artikel 89 Sv Pro
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 89 Sv Pro op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. De toekenning van een dergelijke vergoeding heeft ingevolge artikel 90 Sv Pro plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.
Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen de verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Immateriële schade
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden geen gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Een observatieteam van de landelijke Eenheid ziet dat een bestelauto met daarvoor (naar later blijkt) de verdachte met zijn taxi op de [adres delict] in de Vierpolders een loods inrijdt en in het opslaggedeelte aan de achterzijde worden beide voertuigen aangetroffen. Achter de bestelauto liggen vijf zakken met cocaïne. Voor de rechter-commissaris verklaart de verzoeker dat hij daar slechts ter plaatse was om als taxichauffeur iemand op te halen. Ter plaatse worden 3 personen aangetroffen waaronder de verzoeker. Het argument van de verzoeker is allerminst logisch zonder dat een nadere verklaring wordt gegeven. De meervoudige kamer heeft voorts in zijn beoordeling overwogen dat het enkele gegeven dat verdachte ter plaatse was niet voldoende is voor een bewezenverklaring van overtreding van de Opiumwet maar dat de omstandigheden waaronder verzoeker is aangetroffen dit zeker ernstige bezwaren oplevert tegen de verzoeker en dat de verklaring van verzoeker deze bepaald niet weg neemt. Dit maakt dat het aan verzoeker in overwegende mate aan zichzelf heeft te wijten dat de voorlopige hechtenis noodzakelijk is geweest. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Materiële schade
Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor inkomstenderving omdat verzoeker gedurende de voorlopige hechtenis zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten en daardoor inkomen is misgelopen.
Gelet op hetgeen is overwogen bij het verzoek voor de immateriële waarden wordt op basis daarvan dit verzoek worden afgewezen.
Verzoek artikel 591a Sv
Vooropgesteld wordt dat een gewezen verdachte indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - op grond van artikel 591a juncto artikel 90 Sv Pro in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschrift/en
Het verzoek ziet op de vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het op grond van artikel 89 en Pro 591a Sv ingediende verzoekschrift.
De beslissing van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 89 Sv Pro brengt met zich dat er evenmin gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding voor de kosten voor de indiening van het onderhavige verzoekschrift, onderscheidenlijk het ingediende verzoekschrift ex artikel 89 Sv Pro toe te kennen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
t.a.v. het onder RK-nummer 18/2903 ingeschreven verzoek:
wijst het verzoek af;
t.a.v. het onder RK-nummer 18/2904 ingeschreven verzoek:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. G.P. van de Beek, rechter,
in tegenwoordigheid van R.M.T. Verheijde, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.