De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van gemeenschap met een wilsonbekwame en ontucht met misbruik van gezag jegens een vrouw met een verstandelijke beperking. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk, en een contactverbod.
De verdachte had een geheime liefdesrelatie met het slachtoffer, die functioneerde op een zwakbegaafd niveau en werkzaam was bij hetzelfde bedrijf. De officier stelde dat het slachtoffer onvoldoende in staat was haar wil te bepalen en dat de verdachte misbruik maakte van zijn gezagspositie. De verdediging betwistte dit en benadrukte de zelfstandigheid van het slachtoffer en het ontbreken van een zorgrelatie.
De rechtbank oordeelde dat het slachtoffer weliswaar een verstandelijke beperking had, maar voldoende in staat was haar wil te bepalen en kenbaar te maken omtrent de seksuele handelingen. Daarnaast was de verdachte niet belast met zorg, maar had hij een leidinggevende functie binnen het productieproces, waardoor geen sprake was van een zorgrelatie. De ten laste gelegde feiten werden daarom niet bewezen verklaard en verdachte werd vrijgesproken.