Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 28 augustus 2018;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op [geboortedatum minderjarige 2] 2018;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen 11 januari 2019;
- het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de man, van 9 januari 2019;
- het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw, van 11 januari 2019.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Van den Hoek;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Pfeifle;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .
2.De vaststaande feiten
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
- de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal zijn zoals partijen zijn overeengekomen, te weten:
- dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] , die aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, welke thans op nihil wordt gesteld;
- de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, dan wel met ingang van de datum dat hij geen dubbele woonlasten meer heeft/zal zijn teruggekeerd in de echtelijke woning, indien dat tijdstip zal zijn gelegen na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 43,- per maand per kind.
3.De beoordeling
- de noodzaak om te verhuizen;
- een goede voorbereiding van de verhuizing;
- het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;
- de extra kosten van contact na de verhuizing;
- de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;
- de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.