Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen in de woning van de man, waarop een hypotheek rustte waarvoor de vrouw hoofdelijk aansprakelijk was. Na beëindiging van de relatie in 2007 bleef de vrouw hoofdelijk verbonden aan de hypotheek. Zij verzocht de man om medewerking aan haar ontslag uit deze verplichting, wat de man weigerde.
De vrouw vorderde dat de man binnen twee weken alles in het werk stelt om haar te ontslaan uit de hypotheekverplichtingen, desnoods door verkoop van de woning. De man voerde aan dat hij zich voldoende inspande, maar herfinanciering niet mogelijk was en verkoop een te grote inbreuk op zijn eigendomsrecht zou zijn.
De rechtbank overwoog dat de belangen van de vrouw, die een nieuw gezin vormt en belemmerd wordt in haar woonwensen, zwaarder wegen dan het belang van de man bij handhaving van de situatie. Gezien het financiële risico voor de vrouw en het feit dat de relatie meer dan tien jaar geleden is beëindigd, is voortzetting van de hoofdelijke aansprakelijkheid onaanvaardbaar.
De rechtbank veroordeelde de man tot medewerking aan het ontslag van de vrouw uit de hypotheekverplichtingen, eventueel via verkoop van de woning, en bepaalde dat de man in de interne verhouding draagplichtig is voor de hypotheekschuld. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.