ECLI:NL:RBROT:2019:4772
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dwang bij verkrachting en aanranding
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid op 10 maart 2017. De aangeefster verklaarde dat verdachte haar onder dwang had betast, gezoend en verkracht tijdens werktijd. Verdachte ontkende het lichamelijk contact.
De rechtbank stelde vast dat er seksueel contact had plaatsgevonden, onder meer door het aantreffen van DNA van verdachte op de binnenzijde van de BH van de aangeefster en een zichtbare verkleuring in haar hals. Getuigen bevestigden het bestaan van een zuigzoen en betasting. Echter, de verklaringen van getuigen en camerabeelden toonden een vrolijke en ontspannen aangeefster na de vermeende feiten, wat niet strookt met het gedrag van een slachtoffer onder dwang.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de handelingen onder dwang hadden plaatsgevonden. De verdachte werd daarom vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel was opgelegd.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat seksuele handelingen onder dwang plaatsvonden.