Eiseres was sinds juni 2017 in dienst bij stichting BOOR en kreeg in maart 2018 een aanstelling voor onbepaalde tijd. Zij meldde zich ziek en gaf in mei 2018 aan haar aanstelling te willen beëindigen. Verweerder stuurde op 12 juni 2018 een akte van ontslag en verklaarde het bezwaar van eiseres tegen deze akte niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 17 mei 2018 geen besluit was en dat het bezwaar tegen de akte van ontslag van 12 juni 2018 tijdig is ingediend. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de situatie van eiseres, die ziek was en medicatie gebruikte, en heeft hij nagelaten haar bewust te maken van de gevolgen van haar ontslagverzoek.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire ontslagbesluit. De aanstelling van eiseres voor onbepaalde tijd is daarmee nog steeds van kracht. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.