Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot toepassing van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij zij een schuldregeling aanboden aan hun schuldeisers. De regeling voorzag in betaling van 100% aan preferente schuldeisers en 51,76% aan concurrente schuldeisers. Achttien schuldeisers stemden in met het akkoord, maar Hoist Kredit, met een vordering van €4.436,19, stemde niet in en verzette zich tegen het akkoord.
Hoist Kredit voerde aan dat het verzoekschrift niet voldeed aan de vereisten, dat onvoldoende inzicht werd gegeven in de schuld- en vermogenspositie van verzoekers, en dat het aanbod niet het maximaal haalbare was. Daarnaast stelde Hoist Kredit dat verzoekster onduidelijk was over haar arbeidsongeschiktheid en sollicitatieplicht, waardoor onvoldoende toezicht mogelijk was in het minnelijk traject.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van Hoist Kredit bij haar weigering zwaarder wegen dan die van verzoekers en overige schuldeisers, mede omdat onvoldoende duidelijkheid bestond over de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster en haar sollicitatiegedrag. Dit leidde tot onvoldoende waarborgen voor nakoming van het akkoord.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af om Hoist Kredit te bevelen in te stemmen met de schuldregeling. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.