ECLI:NL:RBROT:2019:5048
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken te vereffenen vermogen en misbruik van recht
De besloten vennootschap [X] verzocht op eigen aangifte faillietverklaring aan te vragen wegens betalingsonmacht. De rechtbank constateerde dat aan het vereiste van het niet kunnen betalen was voldaan, maar dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat er een te vereffenen vermogen aanwezig was.
Uit de stukken bleek dat er slechts twee vorderingen waren, waaronder een rekening-courantvordering op de aandeelhouder en een ongespecificeerde vordering op [Z], terwijl er geen overige activa of bedrijfsactiviteiten meer waren. De grootste schuldeiser was tevens de partij waarop een procedure zou worden gevoerd, wat erop duidde dat het faillissement vooral diende om de curator een procedure te laten voeren.
De rechtbank oordeelde dat dit misbruik van recht opleverde, gezien de onevenredigheid tussen het belang van de vennootschap en de lasten voor de curator. Ook waren er geen belangen van derden zoals werknemers die het faillissement rechtvaardigden. Daarom werd het verzoek afgewezen. De rechtbank wees bovendien op de mogelijkheid tot ontbinding van de vennootschap volgens artikel 2:19 BW Pro.
Uitkomst: Verzoek tot faillietverklaring afgewezen wegens ontbreken te vereffenen vermogen en misbruik van recht.