Op 7 juli 2018 werd verdachte samen met een ander betrapt op het bezit van grote hoeveelheden cocaïne (ongeveer 3300 gram) en heroïne (ongeveer 2593 gram), alsmede versnijdingsmiddelen (paracetamol). De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was in de handel en voorbereiding van deze verdovende middelen. Tevens werd bewezen verklaard dat verdachte schuldwitwassen pleegde door het bezit van €136.790 waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit afkomstig was uit misdrijf.
De verdediging erkende de feiten maar betwistte medeplegen, stellende dat verdachte alleen handelde. De rechtbank verwierp dit verweer op basis van verklaringen van medeverdachten en getuigen, alsmede de feitelijke omstandigheden waaronder verdachte toegang had tot de woning en de aanwezigheid van verdovende middelen en geld.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de grote hoeveelheden drugs en geld, en het feit dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een gebrek aan dagbesteding en financiële problemen, werden meegewogen. Gezien de ernst en recidive werd een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast werd een geldbedrag van €550,- verbeurd verklaard als bijkomende straf, omdat dit geld verband hield met de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank sprak verdachte vrij van de aantijgingen met betrekking tot drukpersen en een inpakmachine.
Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 17 april 2019.