Art. 157 SrArt. 176a SrArt. 83 SrArt. 176b SrArt. 96 lid 2 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor terrorismefinanciering met voorwaardelijke gevangenisstraf
De rechtbank Rotterdam heeft op 2 juli 2019 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die ervan werd verdacht geld te hebben overgemaakt aan personen die deelnamen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. De verdachte stuurde in 2013 en 2014 bedragen van €500 en €950 via bankoverschrijving en Western Union aan een kennis en zijn zwager, die beiden in Syrië verbleven en aangesloten waren bij terroristische organisaties zoals IS en Jabhat al-Nusra.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte zich bewust was van de terroristische aard van deze organisaties en dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zijn geld zou bijdragen aan terroristische activiteiten. Dit werd onderbouwd met verklaringen, mediaberichten en Skype-gesprekken. De bewezenverklaring omvatte zowel het financieren van terrorisme als het overtreden van de Sanctiewet.
Hoewel de feiten ernstig zijn, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden op vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn gezondheidsklachten en het ontbreken van ideologische motieven. De proeftijd werd vastgesteld op twee jaar zonder bijzondere voorwaarden. Daarnaast werd bepaald dat in beslag genomen elektronische apparaten aan de verdachte worden teruggegeven omdat deze niet voor het plegen van de feiten zijn gebruikt.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden met een proeftijd van twee jaar wegens terrorismefinanciering.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/996591-16
Datum uitspraak: 2 juli 2019
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
raadsvrouw mr. M.C. Levy, advocaat te Rotterdam.
1.Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2019.
2.Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3.Eis officier van justitie
De officieren van justitie mrs. A.M. Dingley en E.C. Nieuwenhuis (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
4.Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering feiten 1 en 2
4.1.1.
Beoordeling
Feiten
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.
Op 27 december 2013 heeft de verdachte, via de bankrekening van zijn partner, een bedrag van € 500,00 overgemaakt op de bankrekening van [naam medeverdachte 1] . De helft van dit bedrag was bestemd voor [naam medeverdachte 1] , de andere helft voor de zwager van de verdachte, [naam medeverdachte 2] . Op 5 augustus 2014 heeft de verdachte via Western Union een bedrag van € 950,00 gestuurd naar [naam medeverdachte 3] . Dit bedrag was ook bestemd voor [naam medeverdachte 1] .
Verklaring verdachte
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 27 december 2013 wist dat [naam medeverdachte 2] in Syrië verbleef. Op 5 augustus 2014 wist hij ook dat [naam medeverdachte 1] in Syrië verbleef. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat in 2013 en 2014 uit de berichtgeving in de media niet eenduidig bleek wat zich afspeelde in Syrië. Voor hem was op dat moment niet duidelijk of [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] betrokken waren bij (een) terroristische organisatie(s).
De door hem gevoerde Skype-gesprekken met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] gingen over het regime van en de strijd tegen de president van Syrië, Bashar al-Assad.
(Voorwaardelijk) opzet
Ook in 2013 en 2014 stond [naam medeverdachte 1] bekend als jihadstrijder. Dit is in die tijd door media bericht. Verder werd er in die tijd in de media al bericht over de jihadstrijd in Syrië. De verdachte kon dit dus ook weten. Daar komt bij dat de verdachte in de periode van de transacties via Skype contact had met [naam medeverdachte 1] . Hij besprak met [naam medeverdachte 1] wat er op dat moment gebeurde in Syrië en wat [naam medeverdachte 1] daar deed. Daaruit kon de verdachte afleiden dat [naam medeverdachte 1] deelnam aan de gewapende strijd in Syrië. Het was eind 2013 bekend dat er diverse facties streden in Syrië, waaronder IS (ook wel Islamitische Staat in Irak en de Levant) en Jabhat al-Nusra. Ook vertelde [naam medeverdachte 2] de verdachte via Skype op 5 januari 2014 dat hij bij ‘Jabhat nusra’ (de rechtbank begrijpt: Jabhat al-Nusra) zit. IS en Jabhat al-Nusra zijn gewapende (rebellen)groeperingen, gelieerd aan de terroristische organisatie Al Qaida en zij waren beiden ook als dusdanig al sinds 28 juni 2013 - dus al vóór de overboekingen - opgenomen in Bijlage I van de EG verordening 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002. Er was dus reeds algemeen bekend dat dit terroristische organisaties waren.
Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat de verdachte willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zich hadden aangesloten bij (een) terroristische organisatie(s) in Syrië. Door onder die omstandigheden tweemaal een geldbedrag te sturen aan [naam medeverdachte 1] , heeft de verdachte tevens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze bedragen ten goede zouden komen aan het verblijf van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] in Syrisch strijdgebied en daarmee (indirect) aan hun deelname aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Daarmee heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het financieren van terrorisme. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.
De Verenigde Naties houden IS en Jabhat al-Nusra verantwoordelijk voor diverse schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden. Beide organisaties zijn, zoals gezegd, sinds 28 juni 2013 opgenomen in Bijlage I van de EG verordening 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002. Het is derhalve ook in strijd met de Sanctiewet, voor zover hier van belang, om geld ter beschikking te stellen aan deze organisaties. Ook is het in strijd met de Sanctiewet om indirect, dus bijvoorbeeld aan een persoon die strijdt voor IS of Jabhat al-Nusra, aan deze organisaties geld ter beschikking te stellen. Nu de verdachte tweemaal opzettelijk geld ter beschikking heeft gesteld aan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] , die naar Syrië waren afgereisd, terwijl de verdachte willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zich daar hadden aangesloten bij IS, dan wel Jabhat al-Nusra, dan wel Al Qaida, komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op tijdstippen in de periode van 1
december 2013 tot en met 31 augustus 2014 te Schiedam en Rotterdam en Turkije en Syrië
meermalen,
(telkens) een ander opzettelijk middelen heeft verschaft , die geheel of
gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te
verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter
voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:
- deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van
terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl
daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood
ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 enPro/of
176a jo art. 83 WetboekPro van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van
en/of bevordering tot het in artikel 157 vanPro het Wetboek van Strafrecht
omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van
Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en
- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a
en/of 289 jo art. 83 WetboekPro van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding
van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van
Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2
Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
immers heeft verdachte alstoen aldaar
een geldbedrag van 500 euro (op 27 december 2013)(AMB-043), (via een girale overboeking) doen toekomen en/of verzonden naar
(de bankrekening op naam van) [naam medeverdachte 1] ,
en
een geldbedrag van 950 euro (op 5 augustus 2014)(DOC-007-01), (via een money transfer) aan een tussenpersoon in Turkije,
verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije verzonden,
terwijl die geldbedragen (telkens) bestemd waren om geldelijke
steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(s) van die
gewapende Jihadstrijd in Syrië , in welke strijd terroristische
misdrijven worden/werden gepleegd,
te weten ten behoeve van [naam medeverdachte 1] (een kennis van verdachte), en/of [naam medeverdachte 2]
(zijnde een schoonbroer van verdachte) strijders van (een) terroristische
organisatie(s) Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and
the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front
for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, dan wel
een strijdgroep die hieraan is gelieerd, welke strijders en/of strijdgroep(en)/organisatie(s) tot
oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven,
en/of aldus diende(n) om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de
gewapende strijd in Syrië , in elk geval om geldelijke steun
en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of
een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch
misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven;
2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 december
2013 tot en met 31 augustus 2014 te Schiedam en Rotterdam en Turkije en Syrië
meermalen,
(telkens) opzettelijk
in strijd met het krachtens artikel 2 enPro 3 van de Sanctiewet 1977
vastgestelde verbod van artikel 2 enPro artikel 2a van de Sanctieregeling
881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie)
heeft gehandeld door:
ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in
Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al
Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida , zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(en) of entiteit(en) als
bedoeld in de bij Verordening nr. 881/2002 (EU)
(en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en Uitvoeringsverordening
(EU) Nr. 583/2014 en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende
lijsten en als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld
in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde
Naties),
indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te
stellen (waardoor voornoemde groep(en) of entiteit(en) tegoeden, goederen of
diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan
activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 vanPro
Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat hij voor en/of aan
en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in
Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al
Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in
Iraq,
indirect geldbedragen van:
- 500 euro (op 27 december 2013)(AMB-043), en
- 950 euro (op 5 augustus 2014)(DOC-007-01),
(via een money transfer en een girale overboeking) ter beschikking heeft gesteld.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5.Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
De eendaadse samenloop van:
1.financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;
en
2. overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens art. 2 vanPro de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6.Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7.Motivering straf
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zijn zwager en een kennis financieel gesteund terwijl zij in het strijdgebied in Syrië waren, zich daar hadden aangesloten bij een terroristische groepering en deelnamen aan de gewapende strijd.
De verdachte heeft door het overmaken van geld Europese regelgeving en nationale wetgeving die tot doel hebben de (financiering van) terrorisme te bestrijden, overtreden. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang omdat het doel ervan is om te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid, alsmede om de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen. Door geld over te maken heeft de verdachte (indirect) een bijdrage geleverd aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië. In deze strijd kwamen (en komen) dagelijks velen op gruwelijke wijze om het leven. De verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de (verdere) destabilisering en onveiligheid in Syrië. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het om twee relatief geringe overboekingen gaat, die in 2013/2014 hebben plaatsgevonden. Ook weegt mee dat de verdachte niet zozeer heeft gehandeld uit ideologische overwegingen, maar vooral uit loyaliteitsgevoelens naar zijn vriend en zwager.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 mei 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 juni 2019. Daarin staat dat de verdachte al sinds lange tijd gezondheids- en psychische klachten heeft. Hij is in verband met deze klachten volledig arbeidsongeschikt verklaard.
Er zijn zorgen over het sociale netwerk van de verdachte. Hij had contact met meerdere personen die op de sanctielijst terrorisme staan. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de verdachte op dit moment nog actief deelneemt aan dit negatieve sociale netwerk.
De reclassering adviseert bij een voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de medische situatie van de verdachte en het tijdsverloop in de behandeling van de strafzaak. In plaats daarvan wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Deze voorwaardelijk straf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank een proeftijd van drie jaar niet nodig, nu er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte zich nog steeds in een negatief sociaal netwerk begeeft.
8.In beslag genomen voorwerpen
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen verbeurd te verklaren. Het gaat om de volgende voorwerpen:
De verdediging heeft verzocht om teruggave van de voorwerpen aan de verdachte, omdat de ten laste gelegde feiten niet behulp van deze voorwerpen zijn begaan.
8.3.
Beoordeling
Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. De bewezen feiten zijn niet met behulp van deze voorwerpen begaan.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57 en 421 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikel 2 enPro 3 van de Sanctiewet 1977.
10.Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11.Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt: gelast de teruggave aan verdachte van: