ECLI:NL:RBROT:2019:5417
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- R.R. Roukema
- C.M.E. van der Hoeven
- K.J. Bezuijen
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na einde procedure
De zaak betreft een verzoek tot wraking van mr. W.J.G. Schröder, destijds rechter-plaatsvervanger in de sector familie en jeugdrecht van de rechtbank Rotterdam. Het verzoek werd ingediend op 9 april 2019, terwijl de procedure waarbinnen de wraking werd gevraagd, feitelijk was afgesloten op 14 december 2004 na de sluiting van de behandeling ter zitting.
De procedure betrof een beschikking van 2 december 2004 van de kinderrechter mr. F.A.M. Bakker, waarbij voorlopige voogdij werd toegekend aan Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam. Na het verhoor van de Raad voor de Kinderbescherming en belanghebbenden op 14 december 2004 zijn geen verdere beslissingen genomen, waardoor de behandeling van de zaak als beëindigd wordt beschouwd.
Op grond van artikel 36 Rv Pro kan een rechter die een zaak behandelt worden gewraakt, maar dit middel is niet meer toepasbaar nadat de rechter zijn einduitspraak heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat het wrakingsverzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en wijst het af zonder behandeling ter zitting. Tevens wordt het verzoek om op het wrakingsverzoek te worden gehoord afgewezen.
Het verzoek om stukken van de procedure als belanghebbende te ontvangen wordt niet door de wrakingskamer behandeld, maar doorverwezen naar de voorzitter van het team familie van de rechtbank. De beslissing is uitgesproken door de meervoudige kamer voor wrakingszaken op 15 mei 2019.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid omdat het na het einde van de procedure is ingediend.