De rechtbank Rotterdam heeft op 30 juli 2019 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne over een periode van ruim drie jaar binnen een crimineel netwerk.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag tot 400.000 euro, doch wijzigde dit tot 100.000 euro, dat hoofdelijk zou worden opgelegd aan drie veroordeelden. De verdediging voerde aan dat de berekening van het voordeel te hoog was en dat meer kosten in aanmerking genomen moesten worden. De rechtbank volgde echter de berekeningsmethode van de financieel rapporteur en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 100.000 euro.
De rechtbank hield rekening met de verschillende rollen binnen het netwerk en schatte het aandeel van de veroordeelde op 75.000 euro. De betalingsverplichting werd hoofdelijk opgelegd samen met een medeverdachte. Verweren over gemeenschappelijk voordeel en draagkracht werden verworpen. De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.