De rechtbank Rotterdam heeft op 30 juli 2019 een vonnis gewezen betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die eerder was veroordeeld voor medeplegen van drugshandel. De feiten betreffen het meermalen verkopen, afleveren en vervoeren van cocaïne in de periode van augustus 2011 tot oktober 2015, waarbij de veroordeelde een actieve rol had binnen een crimineel netwerk.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van maximaal 400.000 euro, maar wijzigde dit tijdens de zitting naar 100.000 euro, dat hoofdelijk moest worden opgelegd aan drie veroordeelden. De verdediging voerde aan dat de veroordeelde slechts een ondergeschikte rol had en dat de kosten hoger waren dan berekend, met een aandeel van circa 10%.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde een substantieel aandeel had, inclusief het overnemen van de deallijn na aanhouding van een medeverdachte. Op basis van een financieel rapport en verklaringen werd het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op 75.000 euro voor de veroordeelde en een medeverdachte samen, waarbij de veroordeelde 25% van dit bedrag toekomt.
De rechtbank legde de betalingsverplichting van 75.000 euro hoofdelijk op, met de mogelijkheid voor de veroordeelde om vrijstelling te verkrijgen indien de medeverdachte betaalt. Er zijn geen aanwijzingen dat de veroordeelde onvoldoende draagkracht heeft om te betalen. Het vonnis is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.