De veroordeelde is bij eerdere vonnissen en arrest veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift in de periode 2006 tot 2013. In deze procedure staat vast dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit deze feiten. De officier van justitie vordert ontneming van het voordeel tot maximaal €446.219,-.
De verdediging betwist de hoogte van het bedrag, stelt dat de uitgangspunten van het financieel rapport onjuist zijn, dat een naheffing accijns in mindering moet komen, dat de redelijke termijn is overschreden en dat de veroordeelde geen draagkracht heeft. De rechtbank volgt het financieel rapport en acht aannemelijk dat de veroordeelde gemiddeld de helft van het BTW-bedrag op valse facturen ontving.
De naheffing accijns is niet betaald en wordt daarom niet in mindering gebracht. De redelijke termijn is met 15 maanden overschreden, wat leidt tot een korting van €5.000,- op de betalingsverplichting. De draagkrachtverweren worden niet gehonoreerd omdat er onvoldoende concrete feiten zijn. De rechtbank legt een betalingsverplichting van €441.219,- op aan de veroordeelde.