De rechtbank Rotterdam behandelde op 20 juni 2019 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en verduistering van minerale olie in de periode 2006-2013.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van maximaal €2.302.484,-, later bijgesteld naar €1.630.857,78. De verdediging voerde onder meer aan dat de veroordeelde slechts voor een deel van de feiten was veroordeeld en dat het voordeel verdeeld diende te worden, met een uiteindelijk voordeel van circa de helft van het gevorderde bedrag.
De rechtbank volgde de berekeningsmethode van de financieel rapporteur en nam het subsidiaire standpunt van de verdediging over, waarbij opbrengsten en kosten van bepaalde bedrijven uit de berekening werden gehaald. Gezien de samenwerking met zijn zoon en anderen werd het voordeel pondspondsgewijs verdeeld, met een betalingsverplichting van €810.428,- opgelegd.
Daarnaast werd een vermindering van €5.000,- toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank achtte geen aanleiding voor een draagkrachtvermindering. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.