De burgemeester van Schiedam had een besluit genomen tot sluiting van een coffeeshop voor drie maanden vanwege twee keer levering van softdrugs aan een minderjarige. Eiseres maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening, welke deels werd toegewezen. Na het bestreden besluit bleef de sluiting gehandhaafd, waarop eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelde dat het Coffeeshopbeleid Schiedam 2014-2018 nog van kracht is en dat de burgemeester bevoegd was tot handhaving. Wel was de sluiting van drie maanden een zware maatregel, vooral gezien de snelle en adequate maatregelen die eiseres had getroffen na constatering van de overtredingen, de onberispelijke bedrijfsvoering van 17 jaar en het ontbreken van eerdere incidenten.
De rechtbank stelde dat de sluiting meer een punitieve sanctie leek dan een herstelsanctie en dat het algemeen belang onvoldoende rechtvaardiging bood voor de sluiting. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en in de plaats daarvan een bestuurlijke waarschuwing opgelegd. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank zelf in de hoofdzaak voorzag.