De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om vervangende toestemming te verkrijgen voor het vaccineren van een minderjarige volgens het Rijksvaccinatieprogramma. De vader weigert toestemming te geven vanwege bezwaren tegen vaccinaties, terwijl de moeder en pleegouders het belang van vaccinatie onderschrijven. De minderjarige verblijft bij pleegouders en is onder toezicht gesteld.
De kinderrechter overweegt dat vaccinaties onder het Rijksvaccinatieprogramma een medische behandeling vormen, maar dat deze niet altijd noodzakelijk zijn om ernstig gevaar voor de gezondheid te voorkomen. Hoewel de minderjarige vatbaar is voor ziektes, is er geen bijzondere medische situatie die vaccinatie dringend noodzakelijk maakt. Omdat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen en het gezaggeschil niet via een verzoek tot beslissing aan de rechter is voorgelegd, bekijkt de rechter het verzoek ook op grond van artikel 1:253a BW.
Gezien het belang van het kind, de gangbare praktijk in Nederland en het feit dat de moeder toestemming geeft, verleent de kinderrechter vervangende toestemming voor deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.