De rechtbank Rotterdam behandelde op 12 april 2019 het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor pleegzorg. De minderjarige verblijft momenteel in een crisispleeggezin, waar het goed gaat. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar de moeder was niet verschenen op de zitting.
De GI had eerder de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 1 mei 2019 en verzocht nu om verlenging tot het einde van de ondertoezichtstelling op 24 augustus 2019. De GI gaf aan onvoldoende zicht te hebben op de mogelijkheden van de vader om voor de minderjarige te zorgen, terwijl de vader aangeeft achter de uithuisplaatsing te staan en bezig te zijn met het op zich nemen van de zorg met steun van zijn netwerk.
De kinderrechter oordeelde dat de GI de opvoedcapaciteiten van de vader serieus moet onderzoeken, mede gezien het belang van continuïteit in de verzorging en de aankomende schoolgang van de minderjarige. De verlenging van de uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de minderjarige. De machtiging wordt verlengd tot uiterlijk 1 augustus 2019, waarna een nieuwe zitting zal plaatsvinden. De GI wordt verzocht twee weken voor die datum een rapportage over de stand van zaken te overleggen.