ECLI:NL:RBROT:2019:7096

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 september 2019
Publicatiedatum
4 september 2019
Zaaknummer
580505 / HA RK 19-977
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens termijnoverschrijding en misbruik van wrakingsmiddel

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. P. Joele, rechter in de rechtbank Rotterdam, naar aanleiding van een vonnis van 18 juli 2019. Het verzoek werd ingediend op 16 augustus 2019, terwijl de feiten waarop het verzoek was gebaseerd aan verzoeker kort na 23 juli 2019 bekend waren geworden. De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend, zoals vereist volgens artikel 37 lid 1 Rv Pro.

Daarnaast baseerde verzoeker het wrakingsverzoek op vermeende vriendschappelijke banden tussen een voormalige griffier die voor zijn onderneming werkte en griffiers van de rechtbank, hetgeen de rechter niet relevant achtte. Verzoeker gaf ter zitting aan dat hij ook toekomstige kantonrechters van de rechtbank Rotterdam zal wraken wegens gebrek aan vertrouwen, wat de rechtbank als misbruik van het wrakingsmiddel beoordeelde.

De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om het verzoek tot verwijzing van de procedure naar de rechtbank Den Haag te beoordelen. Uiteindelijk werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in dezelfde procedure niet in behandeling zal worden genomen.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en misbruik van het wrakingsmiddel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 580505 / HA RK 19-977
Beslissing van 3 september 2019
op het verzoek van
[naam verzoeker],
wonende te [adres] ,
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. P. Joele, rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton 2 (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop en de processtukken

De rechter heeft op 18 juli 2019 een vonnis uitgesproken in de civielrechtelijke procedure tussen de vennootschap onder firma [naam v.o.f.] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, tegen verzoeker als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. In dat vonnis is een comparitie van partijen bepaald op 14 oktober 2019.
Die procedure draagt als kenmerk 7879132 CV EXPL 19-4438.
Bij brief, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2019, heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht.
Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het hiervoor genoemde vonnis van 18 juli 2019.
Verzoeker en de rechter zijn uitgenodigd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 26 augustus 2019.
Ter zitting van 29 augustus 2019, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is verzoeker verschenen. Hij heeft zijn standpunt nader toegelicht.
De rechter is, zoals aangekondigd in zijn schriftelijke reactie, niet ter zitting verschenen.
Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van:
  • de pleitnotitie met bijlagen van verzoeker, ingekomen op 27 augustus 2019;
  • de door verzoeker bij e-mailberichten van 28 augustus 2019 ingezonden stukken.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting op laatstgenoemde stukken te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden, zoals artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist.
2.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.
2.3
Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd de beslissing van de rechter, zoals deze is neergelegd in het genoemde vonnis van 18 juli 2019. Dat vonnis is aan verzoeker toegezonden op 23 juli 2019. Volgens verzoeker heeft de rechter in dat vonnis een verkeerde beslissing genomen, door een comparitie van partijen te gelasten in plaats van eiseres aanstonds niet-ontvankelijk te verklaren; immers verzoeker is in privé gedagvaard terwijl hij als privé persoon nimmer met eiseres heeft gehandeld.
Daarnaast heeft verzoeker aan het verzoek ten grondslag gelegd zijn wantrouwen jegens de rechtbank Rotterdam vanwege de vriendschappen die een voormalige griffier van de rechtbank – die voor de onderneming van verzoeker werkzaamheden heeft verricht in onder meer het dossier van [naam v.o.f.] – onderhoudt met griffiers van die rechtbank.
2.4
Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte gedragingen van de rechter zijn aan verzoeker bekend geworden kort na 23 juli 2019, terwijl het verzoek tot wraking eerst is ingediend op 16 augustus 2019. Voor zover het verzoek is gebaseerd op vermeende banden van een ex-griffier van de rechtbank met griffiers van de rechtbank regardeert dat de rechter niet.
2.5
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het wrakingsverzoek.
2.6
De wrakingskamer voegt hier het volgende aan toe.
Verzoeker heeft ter zitting meegedeeld dat hij elke volgende kantonrechter bij de rechtbank Rotterdam, die de onderhavige procedure zal gaan behandelen, eveneens zal wraken omdat hij geen enkel vertrouwen meer heeft in de rechtbank Rotterdam.
De wrakingskamer leidt hieruit af dat verzoeker het middel van wraking aanwendt voor een doel, waarvoor dit middel niet is bedoeld en dat verzoeker aldus misbruik maakt van het middel van wraking. Dit rechtvaardigt thans de beslissing dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking van de rechter in de onderhavige procedure niet meer in behandeling zal worden genomen.
2.7
Tenslotte heeft verzoeker nog verzocht de zaak in zijn geheel te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De wrakingskamer is niet bevoegd te oordelen over dit verzoek.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek van verzoeker tot verwijzing van de procedure met kenmerk 7879132 CV EXPL 19-4438 naar de rechtbank Den Haag;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. P. Joele;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de procedure met kenmerk 7879132 CV EXPL 19-4438 niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. I.K. Rapmund en
mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2019 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.
Verzonden op:
aan:
- verzoeker
- mr. P. Joele
- mr. H.W.E. Vermeer