ECLI:NL:RBROT:2019:7097
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter na comparitie in bemiddelingsgeschil over koopovereenkomst
Verzoekster, een bemiddelingsvennootschap, verzocht wraking van de comparitierechter in een civiele procedure over een bemiddelingsovereenkomst voor de verkoop van een zalencentrum. De kern van het wrakingsverzoek was dat de rechter tijdens de comparitie een te stellig voorlopig oordeel had gegeven over het al dan niet tot stand komen van een koopovereenkomst, hetgeen volgens verzoekster wijst op vooringenomenheid.
De rechter had in zijn inleiding gesteld dat voor toewijzing van de vordering essentieel is dat er een uitvoerbare koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar ook aangegeven dat dit nog niet vaststond. Verzoekster voelde zich hierdoor benadeeld en meende dat de rechter zijn oordeel al had gevormd en niet openstond voor haar argumenten.
De wrakingskamer oordeelde echter dat het geven van een voorlopig oordeel tijdens een comparitie gebruikelijk is en niet bindend is voor het vonnis. De rechter had duidelijk gemaakt dat het oordeel voorlopig was en openstond voor reactie van partijen. Er waren geen objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid of onpartijdigheidsschending.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De rechtbank benadrukte dat het geven van voorlopige oordelen een taak van de comparitierechter is, juist om schikkingsmogelijkheden te beproeven en partijen te informeren over de stand van zaken in de procedure.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van gegronde vrees voor vooringenomenheid.