De rechtbank Rotterdam behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor computervredebreuk en oplichting. De officier van justitie vorderde een bedrag van €17.591,73, gebaseerd op overboekingen van geldsommen van diverse slachtoffers.
De berekening van het voordeel was gebaseerd op een ontnemingsrapportage en aanvullende informatie van ING Bank, waaruit bleek dat een deel van de overboekingen was teruggeboekt en vergoed aan de benadeelde partij. Hierdoor werd het voordeel aanzienlijk verminderd.
De rechtbank stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door de terugbetalingen en toegewezen schadevergoeding aan ING op nihil uitkomt. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde werd bepaald dat hij geen bedrag aan de staat hoeft te betalen.
Het vonnis is gewezen door een meervoudige kamer en omvat een uitgebreide onderbouwing van de berekening en de toepassing van artikel 36e Sr. De beslissing houdt tevens rekening met de nog niet onherroepelijke status van de schadevergoeding en de zekerheid omtrent de vordering van ING.