ECLI:NL:RBROT:2019:7467
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij
De rechtbank Rotterdam behandelde op 20 september 2019 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal €157.055,44, voortvloeiend uit een strafbare handeling van medeplichtigheid aan het telen van hennep in de periode van april 2017 tot april 2018.
De veroordeelde was eerder veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie stelde dat de veroordeelde voordeel had genoten uit de hennepkwekerij en vorderde ontneming van dat voordeel. Tijdens de terechtzitting op 6 september 2019 werd echter betoogd dat dit niet aannemelijk was.
De verdediging sloot zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten. Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam, waarbij de voorzitter en twee rechters het oordeel onderschreven. De griffier was aanwezig maar tekende het vonnis niet mede.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.