ECLI:NL:RBROT:2019:7470
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging schuldhulpverlening wegens onvoldoende motivering
Eiser was deelnemer aan een schuldhulpverleningstraject dat door verweerder werd beëindigd vanwege het ontstaan van nieuwe achterstanden en onvoldoende medewerking. Verweerder baseerde het bestreden besluit op het advies van de bezwaarschriftencommissie, die vooral het opnieuw ontstaan van achterstanden bij de zorgverzekeraar als reden zag.
Eiser voerde aan dat hij door omstandigheden zoals een woningbrand in een bijzondere situatie verkeerde en dat hij bereid was het traject succesvol af te ronden. Hij stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn situatie en dat het besluit onzorgvuldig was genomen.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijke motivering bevatte, omdat verweerder ter zitting aanvullende gronden noemde die niet in het besluit waren opgenomen. Daarom werd het besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank droeg verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alle bekende gegevens in aanmerking moeten worden genomen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.