Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 4 mei 2018, uitsluitend gebaseerd op huurachterstand. Verzoekers voldeden inmiddels de lopende huurtermijnen via budgetbeheer en betwistten het bestaan van oneigenlijk gebruik of overlast.
Verweerster, de verhuurder, stelde dat de huurachterstand nog steeds aanzienlijk was en dat verzoekers een vleesverwerkingsbedrijf aan huis begonnen waren, wat leidde tot klachten. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekers om in de woning te blijven en het minnelijk traject te doorlopen zwaarder woog dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank kende daarom een voorlopige voorziening toe voor vier maanden, onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens werd het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet niet-ontvankelijk verklaard, met de mogelijkheid tot hernieuwd verzoek. De huurovereenkomst werd voor de duur van de voorziening verlengd.