Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn woonruimte, gebaseerd op een vonnis van 28 september 2018, te verbieden. Eerder was al een moratorium toegekend dat in december 2018 afliep. Verzoeker verklaarde sindsdien de lopende huurtermijnen te betalen, te hebben geprobeerd als ZZP’er te werken en een Participatiewet-uitkering aan te vragen. Verweerster stelde dat de huurachterstand van circa €6.000,- nog niet was afgelost, dat verzoeker vaak te laat betaalde en dat de financiële situatie instabiel bleef.
De rechtbank beoordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. Echter, de belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidde tot het oordeel dat het belang van verweerster zwaarder weegt. Verzoeker had onvoldoende stappen gezet in het schuldhulpverleningstraject, was tijdelijk buiten beeld geweest, had nieuwe schulden gemaakt en beschikte niet over een stabiel inkomen. Een sluitend budgetplan op korte termijn was niet aannemelijk.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot voorlopige voorziening af en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.